Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:147

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
21-01-2019
Zaaknummer
17/6874 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending inlichtingenverplichting. Verkoop babyspullen niet gemeld. Intrekking bijstand, recht niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6874 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 september 2017, 17/56 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

Datum uitspraak: 8 januari 2019

Zitting hebben: W.H. Bel als voorzitter en F. Hoogendijk en P.W. van Straalen als leden

Griffier: F.H.R.M. Robbers

Namens appellanten is mr. E.G. Gosselink, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. Versneij.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1. Bij besluit van 18 juli 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 november 2016 (bestreden besluit), heeft het college het recht op bijstand van appellanten met ingang van

11 december 2014 ingetrokken. Aan deze besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht door babyspullen te verkopen op het internet. Door hiervan geen melding te maken hebben appellanten de op hun rustende inlichtingenverplichting geschonden. De in bezwaar overgelegde stukken bieden onvoldoende houvast om het recht op bijstand vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat, geoordeeld dat gelet op de aard, de omvang en het terugkerende karakter van de door appellante verrichte activiteiten sprake is van het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden. Anders dan appellanten hebben aangevoerd kan uit de stukken over de aanvraag om bijstand niet worden afgeleid dat zij het college hebben ingelicht over deze activiteiten. Appellanten hebben dan ook de op hun rustende inlichtingenverplichting geschonden, zodat het aan hun is om aannemelijk te maken dat zij (aanvullend) recht hebben op bijstand. De door appellanten in bezwaar overgelegde stukken vormen geen objectieve en deugdelijke administratie op basis waarvan het recht op bijstand vastgesteld kan worden.

3. Evenals in beroep hebben appellanten in hoger beroep aangevoerd dat zij bij de aanvraag om bijstand wel melding hebben gemaakt van de activiteiten van appellante en dat het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op deze gronden ingegaan. Appellanten hebben geen redenen aangevoerd waarom die gemotiveerde weerlegging van die gronden onjuist of onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel rust. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal

De griffier De voorzitter

F.H.R.M. Robbers W.H. Bel

md