Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:146

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
16/3084 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering en WIA-uitkering terecht beëindigd. Voldoende medische grondslag. Geschikt voor de geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3084 ZW, 17/2549 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van 31 maart 2016, 15/4150 (aangevallen uitspraak 1) en van 20 februari 2017, 16/2200 (aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 16 januari 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Winia hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 en 2 ingesteld.

Het Uwv heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Mr. J. Heek heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld en de gronden aangevuld waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 12 december 2018. Namens appellant is verschenen mr. Heek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als beveiligingsmedewerker voor 40 uur per week toen hij zich op 18 oktober 2010 ziek meldde met onder meer fibromyalgieklachten. Het Uwv heeft bij besluit van 6 september 2012 vastgesteld dat appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 15 oktober 2012 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat appellant per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant werd met zijn beperkingen in staat geacht de functies van magazijnmedewerker, parkeercontroleur en snackbereider te vervullen.

1.2.

Appellant heeft zich op 10 september 2014 ziek gemeld met slaapapneu, chronische hoofdpijnklachten, energetische klachten en een toename van zijn fibromyalgieklachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Op 9 oktober 2014 en 12 mei 2015 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 20 mei 2015 geschikt geacht voor een van de eerder genoemde functies, in het bijzonder die van parkeercontroleur. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van

12 mei 2015 vastgesteld dat appellant per 20 mei 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 10 augustus 2015 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

1.3.

Naar aanleiding van wat ter hoorzitting op 20 juli 2015 is besproken heeft het Uwv het recht van appellant op een WIA-uitkering op grond van artikel 55 van de Wet WIA per 10 september 2014 beoordeeld.

1.4.

Op 22 september 2015 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft op basis van dossierstudie en bevindingen naar aanleiding van het spreekuuronderzoek geoordeeld dat per 10 september 2014 sprake is geweest van een toename van beperkingen ten opzichte van de eerdere beoordeling, namelijk op het gebied van deadlines en productiepieken. Daarnaast wordt een urenbeperking voor 20 uur per week aangenomen. Per 27 juli 2015, de datum van het onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep in het kader van de eerdere ZW-beoordeling, vervallen deze beperkingen volgens de verzekeringsarts. Appellant wordt wel beperkt geacht ten aanzien van werken in ruimtes van waaruit hij niet weg kan. De per 10 september 2014 en 27 juli 2015 vastgestelde beperkingen zijn neergelegd in afzonderlijke Functionele Mogelijkhedenlijsten (FML) van

28 september 2015. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 2 oktober 2015 het arbeidsongeschiktheidspercentage per 10 september 2014 vastgesteld op 63,48% en per 27 juli 2015 op 27,81%. Vervolgens heeft het Uwv bij afzonderlijke besluiten van

6 oktober 2015 appellant per 10 september 2014 in aanmerking gebracht van een loongerelateerde WGA-uitkering en deze uitkering per 7 december 2015 beëindigd. Het bezwaar van appellant tegen deze besluiten heeft het Uwv bij besluit van 5 april 2016 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Aan dit bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2.1.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak 1 overwogen dat de artsen van het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek hebben verricht. Voorts hebben deze artsen naar het oordeel van de rechtbank voldoende toegelicht dat de klachten van appellant niet leiden tot meer beperkingen dan aangenomen ten tijde van de WIA-beoordeling in 2012. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat ingevolge vaste rechtspraak een (nader) arbeidskundig onderzoek bij een beoordeling in het kader van de ZW niet aan de orde is en evenmin ruimte bestaat voor de actualiseringseis. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de geschiktheid van appellant voor een van de in het kader van de WIA-beoordeling geduide functies voldoende door de artsen van het Uwv is toegelicht.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de artsen van het Uwv de psychische klachten van appellant niet voldoende hebben onderkend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht waarom niet wordt uitgegaan van de aanwezigheid van een PTSS. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van deze arts. Ook ten aanzien van de lichamelijke klachten en beperkingen van appellant heeft de rechtbank geen grond gezien voor twijfel aan de juistheid van de medische conclusies. Met beperkingen ten aanzien van zitten, staan en lopen is gewaarborgd dat normale afwisseling van houding mogelijk is.

3.1.

In hoger beroep tegen aangevallen uitspraken 1 en 2 heeft appellant zich vooral op het standpunt gesteld dat het Uwv ten onrechte voorbijgegaan is aan de bij hem vastgestelde diagnose en zijn psychische belastbaarheid heeft overschat. Daarnaast heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het later laten vervallen van de eerder aangenomen urenbeperking door het Uwv onvoldoende is gemotiveerd. Tevens heeft appellant gesteld dat het in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 juli 2015 verwoorde standpunt dat appellant gedoseerd actief moet zijn, onvoldoende tot uitdrukking komt in de FML’en. Appellant heeft uit dit standpunt afgeleid dat deze arts stelt dat hij in de geselecteerde functies moet kunnen vertreden en op dit punt wordt, zo stelt appellant, in de geselecteerde functies zijn belastbaarheid overschreden.

3.2.

Het Uwv heeft in beide zaken bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

4.2.

In artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA is – voor zover hier van belang – bepaald dat voor degene, die aan het einde van de in artikel 54 bedoelde wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid maar geen recht had op toekenning van een WGA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, en die binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van deze wachttijd wel gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt, alsnog recht op die uitkering ontstaat, indien de arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.

4.3.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de aan bestreden besluit 1 ten grondslag liggende medische beoordeling voldoende zorgvuldig en volledig is verricht. De door de rechtbank aan haar oordelen ten grondslag gelegde overwegingen worden op dit punt volledig onderschreven.

4.4.

Over bestreden besluit 1 heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat geen aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de rapporten van de artsen van het Uwv. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

27 juli 2015 valt af te leiden dat deze arts zijn oordeel over de belastbaarheid van appellant heeft gebaseerd op dossierstudie, bevindingen uit eigen lichamelijk en psychisch onderzoek en voorts op een aanzienlijke hoeveelheid informatie van de behandelend sector, waaronder de behandelend neuroloog, reumatoloog, longarts, psychotherapeut en huisarts. Uitgaande van de bevindingen uit zijn onderzoek heeft deze arts aanleiding gezien appellant ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling, waarbij vooral met zijn fysieke klachten rekening is gehouden, toegenomen beperkt te achten. De toename van de beperking is gelegen in de door appellant ervaren PTSS/angstklachten. Rekening houdende met deze klachten en de bevindingen uit zijn onderzoek acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant in die zin beperkt dat appellant enkel werkzaam kan zijn in ruimtes waar hij weg kan. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, onder toepassing van de richtlijn medische urenbeperking, inzichtelijk gemotiveerd waarom geen aanleiding wordt gezien om per 20 mei 2015 een urenbeperking noodzakelijk te achten. Tot slot heeft deze arts geoordeeld dat het voor appellant, vooral vanwege de diagnose fibromyalgie, van belang is om gedoseerd actief te zijn en voldoende in beweging te blijven.

4.5.

In wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling van de belastbaarheid van appellant per

20 mei 2015.

4.6.

Uitgaande van de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde belastbaarheid wordt met de rechtbank geoordeeld dat appellant per 20 mei 2015 in ieder geval in staat is te achten tot het uitoefenen van een van de in het kader van de

WIA-beoordeling geselecteerde functies, namelijk de functie van parkeercontroleur.

4.7.

. Over bestreden besluit 2 heeft de rechtbank eveneens met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig en volledig is geweest. De verzekeringsarts heeft appellant op het spreekuur gezien en dossierstudie verricht, waaronder beoordeling van de (medische) informatie uit het ZW-dossier en de informatie van de behandelend sector. Vervolgens is deze arts op basis van zijn eigen bevindingen tot de conclusie gekomen dat het aannemelijk is dat appellant door OSAS per 10 september 2014 toegenomen beperkt was ten opzichte van de eerder in 2012, in het kader van een eerdere WIA-beoordeling, vastgestelde belastbaarheid. De verzekeringsarts heeft vervolgens overtuigend geoordeeld dat appellant per 27 juli 2015 niet langer toegenomen beperkt was vanwege OSAS en dat zijn beperkingen overeenkomstig de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de ZW-zaak van 27 juli 2015 zijn aan te merken. Vervolgens heeft de verzekeringsarts de belastbaarheid van appellant per 10 september 2014 en 27 juli 2015 vastgelegd in twee afzonderlijke FML’en. Op grond van alle dossiergegevens alsmede de bevindingen uit eigen lichamelijk en psychisch onderzoek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de conclusie van de verzekeringsarts en de door hem opgestelde FML’en van 28 september 2015 onderschreven. In zijn rapport van 29 maart 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende toegelicht dat en waarom er op basis van de standaard ‘Duurbelastbaarheid in arbeid’ zowel op energetisch vlak als op preventief vlak als op verminderde beschikbaarheid geen indicatie is om bij appellant een urenbeperking aan te nemen. Daarnaast blijkt uit het rapport dat wel degelijk rekening is gehouden met de bij appellant bestaande PTSS met angstklachten, claustrofobische klachten en agorafobische klachten. Voorts motiveert deze arts in dit rapport inzichtelijk en overtuigend waarom de aanwezigheid van deze klachten geen aanleiding geeft om appellant op psychisch vlak meer beperkt te achten. Het standpunt van appellant dat een afwisseling in zitten, staan en lopen vereist is wordt eveneens door deze arts op een inzichtelijk gemotiveerde wijze weersproken. Nu door appellant in hoger beroep geen medische gegevens zijn ingediend die doen twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er geen aanleiding om te oordelen dat de beperkingen van appellant in de beide FML’en van 28 september 2015 zijn onderschat.

4.8.

Uitgaande van de juistheid van de FML’en van 28 september 2015 zijn de functies die aan de schattingen ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt voor appellant. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 31 maart 2016 op toereikende wijze gemotiveerd dat de bij de functies voorkomende signaleringen aan die medische geschiktheid niet in de weg staan.

5. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.8 leiden tot de conclusie dat de hoger beroepen niet slagen en de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2019.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

md