Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1453

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2019
Datum publicatie
06-05-2019
Zaaknummer
18/1093 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet gemelde verkoop van spullen via Marktplaats. Geen incidentele verkoop. Geen sprake van verjaring van de terugvordering. Termijn is na vijf jaar na bekend worden van onverschuldigde betaling. Eerder was het college bekend met de verkoop via Marktplaats, maar niet van welke omvang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1093 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 16 april 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

12 januari 2018, 17/873 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. P. van Wegen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Van Wegen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. P.C. van Aller en F.J.A. van Loenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sedert 2003 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, aanvankelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en vanaf 1 januari 2015 op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme tip op 16 oktober 2007 die onder andere inhield dat appellante spullen verkoopt via www.marktplaats.nl (Marktplaats), hebben controle ambtenaren van de gemeente Zoetermeer op 16 oktober 2007 een huisbezoek afgelegd. Appellante heeft tijdens dit huisbezoek verklaard dat zij haar oude meubelen en kinderkleding verkoopt en ook spullen ophaalt die zij vervolgens gratis aanbiedt. De ambtenaren hebben een internetonderzoek verricht, maar hebben geen account op Marktplaats op naam van appellante aangetroffen. De bevindingen van het onderzoek hebben geen gevolgen gehad voor de bijstandsverlening.

1.3.

In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand heeft een sociaal rechercheur op 14 oktober 2015 onder andere gegevens opgevraagd bij Marktplaats en appellante op 29 december 2015 gehoord. Uit de gegevens van Marktplaats blijkt dat appellante in de periode van 6 oktober 2005 tot en met 31 december 2007 en van 1 februari 2010 tot en met 17 oktober 2015 in totaal 3771 advertenties heeft geplaatst. Appellante heeft verklaard dat het om haar eigen spullen gaat of spullen die zij bij het grofvuil heeft gevonden. Zij heeft contante bedragen ontvangen en heeft geen administratie bijgehouden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 december 2015.

1.4.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 30 december 2015 (besluit 1) de bijstand van appellante per 30 december 2015 te beëindigen en over de periode van 18 oktober 2015 tot en met 29 december 2015 in te trekken.

1.5.

Bij besluit van 23 februari 2016 (besluit 2) heeft het college de bijstand van appellante ingetrokken over de perioden van 6 oktober 2005 tot en met 31 december 2007 en van 1 februari 2010 tot en met 30 november 2015. Tevens heeft het college de over deze perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 139.942,14 van appellante teruggevorderd.

1.6.

Bij besluit van 23 december 2016 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat sprake was van handel waarmee appellante inkomsten kon verwerven. Zij heeft de handelsactiviteiten en de daaruit genoten inkomsten niet gemeld. Zij heeft geen administratie bijgehouden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college ziet geen aanleiding om de terugvordering te beperken. Het internetonderzoek in 2007 naar de activiteiten van appellante op Marktplaats heeft niets opgeleverd. Een beroep op verjaring slaagt niet omdat het in 2007 niet bekend was dat aan appellante ten onrechte of teveel bijstand was verstrekt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De perioden in geding lopen van 6 oktober 2005 tot en met 31 december 2007 en van 1 februari 2010 tot en met 30 december 2015.

4.2.

Niet in geschil is dat appellante in de perioden in geding een aanzienlijk aantal artikelen op Marktplaats te koop heeft aangeboden. Gelet op de aard en omvang van deze activiteiten is geen sprake van incidentele verkoop van privégoederen maar van op geld waardeerbare activiteiten in de vorm van internethandel, waarmee appellante inkomsten heeft gegenereerd of heeft kunnen genereren. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze handel van invloed kon zijn op (de omvang van) het recht op bijstand en zij had daarom hiervan melding moeten maken bij het college. Door dit na te laten heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting in de perioden in geding geschonden.

4.3.

Appellante stelt dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden aangezien het college sinds 2007 op de hoogte is van haar activiteiten op Marktplaats. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college is na een melding en de verklaring van appellante tijdens het huisbezoek in 2007 weliswaar op de hoogte geraakt van de activiteiten op Marktplaats. Onduidelijk was toen of sprake was van meer dan incidentele verkoop van privégoederen. Appellante heeft dan ook niet onverwijld en uit eigen beweging het college op de hoogte gesteld van haar (inkomsten uit de) activiteiten op Marktplaats.

4.4.

Appellante heeft een beroep gedaan op de zogenoemde zesmaandenjurisprudentie, omdat het college volgens appellante eerder dan in 2015 al op de hoogte was van haar activiteiten. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.4.1.

Uit vaste rechtspraak (uitspraak van 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:952) volgt dat de zesmaandenjurisprudentie betrekking heeft op wettelijke bepalingen waarin sprake is van een bevoegdheid van het bestuursorgaan de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen en in situaties waarin de betrokkene de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Hier is echter sprake van een verplichting tot terugvordering en niet van een terugvorderingsbevoegdheid. De PW is met ingang van 1 januari 2015 met onmiddellijke werking ingevoerd. Het college is op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW gehouden de bijstand van appellante terug te vorderen. Hantering van deze bepaling zou in strijd kunnen komen met de rechtszekerheid indien dit tot een voor de belanghebbende ongunstiger resultaat zou leiden dan onder het oude recht mogelijk was (uitspraak van 20 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:78). Van een ongunstiger resultaat is echter geen sprake, nu gelet op de jurisprudentie onder de WWB in beginsel bij schending van de inlichtingenverplichting niet van terugvordering werd afgezien.

4.4.2.

Appellante betwist niet dat de zesmaandenjurisprudentie in beginsel niet van toepassing is ingeval van schending van de inlichtingenverplichting. Zij stelt, onder verwijzing naar de uitspraak van 6 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM1920, dat in haar geval sprake is van bijzondere omstandigheden om hiervan af te wijken. Dit betoog slaagt niet. De vergelijking met die uitspraak gaat niet op omdat het college in dat geval, anders dan in dit geval, niet op grond van de wet gehouden was tot terugvordering over te gaan maar een terugvorderingsbevoegdheid had.

4.5.

Appellante heeft voorts een beroep gedaan op verjaring van de terugvordering. Volgens appellante vangt de verjaringstermijn aan in 2007, omdat het college sindsdien op de hoogte is van haar activiteiten.

4.5.1.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Op grond van het bepaalde in artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek verjaart een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. Aansluiting zoekend bij dit artikel vangt de verjaringstermijn voor het nemen van een besluit tot terugvordering van bijstand aan op het moment dat het bestuursorgaan bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit omtrent terugvordering in de rede ligt. Anders dan appellante stelt, is het college pas naar aanleiding van het onderzoek op Marktplaats in 2015 op de hoogte geraakt van de feiten en omstandigheden op grond waarvan voldoende duidelijk was dat sprake was van onverschuldigd betaalde bijstand. Het college was gelet op wat is overwogen in 4.3 in 2007 niet op de hoogte van de activiteiten op Marktplaats, die de incidentele verkoop van privégoederen te boven gingen.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5.1 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak niet slaagt, zodat deze uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en M. Hillen en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2019.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) A.M. Pasmans

md