Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1426

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2019
Datum publicatie
07-05-2019
Zaaknummer
17-3607 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet professionele houding en ongepaste handelwijze sociaal rechercheur. Verklaring wel in vrijheid afgelegd. Onvoldoende feitelijke grondslag voor vaststelling woonplaats buiten de bijstandsverlenende gemeente. Geen zorgvuldige voorbereiding. Niet te houden aan opzegging bijstand. Onjuiste voorstelling van zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/273
NJB 2019/1148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3607 PW

Datum uitspraak: 7 mei 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

30 maart 2017, 16/4938 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats 1] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.S.G.M.J.M. Deijle van rechtskundig adviesbureau OJAU hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant heeft mr. Deijle een geluidsopname ingezonden van het gesprek dat appellant op 9 maart 2016 heeft gevoerd met een sociaal rechercheur en een fraudeconsulent.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Deijle. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.H. Meijer, advocaat, en mr. P.H.L. Boogaard.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving met ingang van 16 februari 2015 bijstand op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande. Appellant stond ten tijde in geding in de Basisregistratie personen ingeschreven op het [uitkeringsadres] te [woonplaats 2] (uitkeringsadres).

1.2.

Op 23 november 2015 heeft het college een anonieme telefonische melding ontvangen, onder meer inhoudende dat appellant inkomsten uit arbeid heeft, dat appellant een relatie heeft met [X.] (X), wonende op het [adres van X.] te [woonplaats 3] (adres van X), en dat appellant ook op dat adres verblijft. Naar aanleiding van deze melding heeft een fraudeconsulent, werkzaam bij de dienst Werk en Inkomen Baarn, Bunschoten en Soest, thans: Uitvoeringsorganisatie BBS (BBS), in opdracht van het college een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de fraudeconsulent onder meer dossieronderzoek verricht en diverse informatiesystemen en het internet geraadpleegd. Verder heeft de fraudeconsulent op 3 december 2015 met appellant een gesprek gevoerd.

1.3.

Vervolgens heeft de fraudeconsulent de resultaten van het onderzoek overgedragen aan de Sociale Recherche van de hoofdafdeling Sociale Zekerheid van de gemeente Amersfoort (sociale recherche) die het onderzoek heeft voortgezet. In het kader van dit vervolgonderzoek heeft de sociale recherche onder meer in de periode van 28 januari 2016 tot en met

7 maart 2016 waarnemingen verricht bij het adres van X. Tijdens tien van de elf waarnemingen is gezien dat de auto van appellant in de nabijheid van dat adres geparkeerd stond. Verder heeft een sociaal rechercheur in aanwezigheid van de fraudeconsulent op 9 maart 2016 met appellant een gesprek gevoerd. De sociaal rechercheur heeft een verslag van dit gesprek opgemaakt. De bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche zijn neergelegd in een rapport van 17 maart 2016.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

29 maart 2016, voor zover hier van belang, de bijstand van appellant met ingang van

31 maart 2016 te beëindigen en de bijstand met ingang van 1 september 2015 in te trekken, en bij besluit van 19 augustus 2016, voor zover hier van belang, de over de periode van 1 september 2015 tot en met 29 februari 2016 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.351,92 van hem terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college, onder verwijzing naar artikel 40, eerste lid, van de PW, ten grondslag gelegd dat appellant niet in [woonplaats 1] woont. Aan het besluit van 29 maart 2016 heeft het college voorts ten grondslag gelegd dat appellant te kennen heeft gegeven met ingang van 1 maart 2016 niet langer aanspraak te willen maken op bijstand.

1.5.

Bij besluit van 21 september 2016 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 29 maart 2016 en 19 augustus 2016 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

4.2.

In geschil is of appellant in de hier te beoordelen periode, die loopt van 1 september 2015 tot en met 29 maart 2016, zijn woonplaats buiten de gemeente Bunschoten had.

4.3.1.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de PW bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 9 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:105), welke haar gelding heeft behouden na de inwerkingtreding van de PW, is blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 11, eerste lid, van de PW voor het antwoord op de vraag waar iemand woont bepalend de plaats waar hij werkelijk woont met zijn gezin en waar het centrum van zijn maatschappelijk leven zich bevindt. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de PW dient dan ook beantwoord te worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.3.2.

In artikel 1:11, eerste lid, van het BW is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Dit sluit niet uit dat een woonstede ook op grond van andere feiten en omstandigheden verloren kan gaan. Vergelijk de uitspraak van 29 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2560.

4.4.

Het college heeft aan zijn besluitvorming de door appellant op 9 maart 2016 afgelegde verklaring en de daaraan voorafgaand in de periode van 28 januari 2016 tot en met

7 maart 2016 verrichte waarnemingen ten grondslag gelegd.

4.5.1.

Appellant heeft in de eerste plaats aangevoerd dat het college ten onrechte de door hem op 9 maart 2016 afgelegde verklaring aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Daarbij is volgens appellant van belang dat hem woorden in de mond zijn gelegd, dat de vraagstelling suggestief is geweest, dat het gesprek op intimiderende wijze plaatsvond en dat tijdens het gesprek ongeoorloofde druk op hem is uitgeoefend, onder meer door in te gaan op zijn seksuele geaardheid.

4.5.2.

Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een geluidsopname ingezonden van het in 1.3 vermelde gesprek. Op die geluidsopname is onder meer te horen hoe de sociaal rechercheur met een woordkeuze en toonzetting waarmee een vriendschappelijke houding wordt aangenomen en door in te gaan op de seksuele geaardheid van appellant, appellant vraagt de voor hem belastende conclusies van de sociaal rechercheur over zijn woonsituatie, te bevestigen. Deze handelwijze geeft, ongeacht de intentie die daarbij bij de sociaal rechercheur voorop heeft gestaan, blijk van een niet-professionele houding en is binnen de context van het confronteren met belastend materiaal bovendien ongepast.

4.5.3.

Wat onder 4.5.2 is overwogen betekent echter nog niet dat appellant moet worden geacht zijn verklaring, zoals deze op de band te horen is, voor zover deze ziet op feiten over zijn verblijf in [woonplaats 3], niet in vrijheid te hebben afgelegd. Daartoe is van belang dat appellant op open vragen van de sociaal rechercheur heeft verklaard over feiten met betrekking tot zijn verblijf, en de onder 4.5.2 beschreven handelwijze van de sociaal rechercheur zich pas in het verdere verloop van het gesprek voordeed. De verklaring van appellant geeft echter, door omstandigheden die niet aan hem zijn te wijten, op de punten die van belang zijn, geen volledig en daardoor mogelijk geen juist beeld over zijn woonplaats. De Raad verwijst naar wat hierna onder 4.6.2 wordt overwogen.

4.6.1.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de waarnemingen en de door hem op

9 maart 2016 afgelegde verklaring een ontoereikende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat hij in de te beoordelen periode niet zijn woonplaats in de gemeente Bunschoten had.

4.6.2.

Deze beroepsgrond slaagt. Appellant heeft op vragen van de sociaal rechercheur verklaard dat hij vanaf ongeveer 1 september 2015 het merendeel van de tijd, althans

’s avonds, bij X in [woonplaats 3] heeft verbleven en dat hij daar meestal overnachtte, wat wordt ondersteund door de waarnemingen in de periode van 28 januari 2016 tot en met

7 maart 2016. Op de geluidsopname is echter ook te horen dat appellant op meerdere momenten tijdens het gesprek heeft getracht duidelijk te maken dat hij ook op het uitkeringsadres verbleef en overnachtte, dat hij daar twee keer per week kleding waste, dat hij zijn post op het uitkeringsadres ontving, alsmede dat het grootste deel van zijn kleding zich daar bevond. De sociaal rechercheur is niet op deze door appellant genoemde feiten en omstandigheden ingegaan en heeft daarover appellant niet doorgevraagd. Hij heeft appellant ook niet laten uitpraten. Integendeel, op de geluidsopname is te horen hoe de sociaal rechercheur appellant veelvuldig onderbreekt om vervolgens zijn eigen conclusie over de woonsituatie van appellant aan appellant voor te houden. Daarbij wordt appellant aan het slot van het gesprek tevens voorgehouden dat hij daarom geen recht op bijstand van de gemeente Bunschoten heeft en dat om die reden de bijstand van appellant mogelijk wordt beëindigd.

4.6.3.

Het college heeft, hoewel dit gelet op de, onder 4.6.2 vermelde, door appellant genoemde feiten en omstandigheden, in samenhang met wat onder 4.1 is overwogen, op zijn weg lag, verder geen onderzoek gedaan naar feiten en omstandigheden over de woonplaats van appellant. Zo heeft het college niet onderzocht waar appellant zijn zaken behartigt, waar hij zijn administratie bewaart en waar hij zijn goederen en eigendommen beheert. Ook heeft het college geen onderzoek gedaan naar bijvoorbeeld telefoon- televisie- en internetaansluitingen of verzekeringen. Met de verklaring van appellant en de waarnemingen heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat appellant het centrum van zijn maatschappelijk leven in de te beoordelen periode niet in Bunschoten had.

4.7.1.

Appellant heeft verder aangevoerd dat hij aan het slot van het gesprek op 9 maart 2016 door een onjuiste voorstelling van zaken op het verkeerde been is gezet, zodat het college hem niet aan zijn opzegging van de bijstand per 1 maart 2016 kan en mag houden.

4.7.2.

Ook deze beroepsgrond slaagt. Op de geluidsopname is te horen hoe de sociaal rechercheur en de fraudeconsulent aan het slot van het gesprek gezamenlijk, onder de toezegging dat zij zich zullen inspannen om te voorkomen dat de bijstand met terugwerkende kracht wordt ingetrokken, appellant er met succes toe weten te bewegen zijn bijstand op eigen initiatief met ingang van 1 maart 2016 op te zeggen. Door appellant al tijdens het gesprek, derhalve nog voordat het onderzoek naar de woonplaats van appellant in de zin van artikel 40, eerste lid, van de PW was afgerond, te confronteren met hun eigen conclusie over het recht van appellant op bijstand in verband met zijn woonsituatie en hem voor te houden dat om die reden de bijstand mogelijk zou worden beëindigd, hebben de sociaal rechercheur en de fraudeconsulente appellant op basis van een onjuiste voorstelling van zaken tot zijn opzegging van de bijstand met ingang van 1 maart 2016 bewogen.

4.8.

Uit 4.6.2, 4.6.3 en 4.7.2 volgt dat het college het bestreden besluit voor zover hier in geding niet zorgvuldig heeft voorbereid en dat het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke feitelijke grondslag berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover daarbij de bezwaren tegen de besluiten van 29 maart 2016 en 19 augustus 2016 ongegrond zijn verklaard.

4.9.

Aansluitend dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Gelet op de ter zitting door het college geuite wens om in het geval van vernietiging van het bestreden besluit nader onderzoek te doen, onder meer ook naar door appellant verrichte werkzaamheden, ziet de Raad geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. Gelet op de aard van het te verrichten nader onderzoek en de daarmee gemoeide tijd, is toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus hier evenmin aangewezen. De Raad zal het college daarom opdracht geven om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

4.10.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.048,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- vernietigt het besluit van 21 september 2016, voor zover daarbij de bezwaren tegen de

besluiten van 29 maart 2016 en 19 augustus 2016 ongegrond zijn verklaard;

- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op de bezwaren tegen de besluiten van

29 maart 2016 en 19 augustus 2016, met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat

tegen het te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.048,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum als voorzitter en M. Hillen en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2019.