Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1404

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2019
Datum publicatie
24-04-2019
Zaaknummer
17/3245 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking na opschorting in verband met niet ingeleverde gevraagde gegevens. Opschortingstermijn van maximaal 8 weken is niet verstreken omdat het college het eerste opschortingsbesluit heeft ingetrokken en een nieuw besluit tot opschorten heeft genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3245 PW

Datum uitspraak: 23 april 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

9 maart 2017, 16/2377 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.P. Cornelissen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2018. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting is het onderzoek door de Raad heropend omdat het niet volledig is geweest. Het college is bij brief van 20 december 2018 verzocht vragen te beantwoorden. Het college heeft hierop gereageerd bij brief van 7 januari 2019.

Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 23 maart 2014 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Daarvoor ontving appellante samen met wijlen haar echtgenoot (H) gedurende de periode van 22 september 2009 tot 23 maart 2014 bijstand naar de norm voor gehuwden.

1.2.

In het kader van de re-integratieplicht heeft een programmamedewerker ROC appellante uitgenodigd voor een gesprek op 12 augustus 2014. Appellante heeft laten weten niet op die uitnodiging in te kunnen gaan, omdat zij, naar later bleek, op dat moment in Frankrijk verbleef om de administratie van H te regelen. Tijdens een gesprek op 2 september 2014, waarbij appellante onder meer is gevraagd bewijsstukken van het verblijf buiten [woonplaats] en bankafschriften van alle rekeningen over de periode vanaf 1 mei 2014 mee te nemen, is gebleken dat een bankrekening op naam van appellante en/of H in Frankrijk bestaat, waarvan appellante noch H bij het college melding hadden gemaakt. Na contact tussen appellante en het college heeft appellante op 8 september 2015 gegevens, waaronder bankafschriften, verstrekt over die buitenlandse bankrekening. Het college heeft vervolgens onderzoek laten verrichten naar het adres dat op de bankafschriften stond vermeld.

1.3.

Bij besluit van 22 september 2015 heeft het college de betaling van de bijstand van appellante met ingang van 1 september 2015 geblokkeerd in afwachting van nader onderzoek. Uit dat onderzoek van het college kwam naar voren dat H samen met twee anderen onverdeeld eigenaar was van onroerende zaken (het appartement en de kelderberging) in Frankrijk. Het college heeft appellante verzocht met betrekking tot het appartement en de kelderberging uiterlijk 16 oktober 2015 een - in het Nederlands vertaalde - kopie van het taxatierapport en hypotheekakte in te leveren, alsmede een overzicht van het huidige saldo van de hypotheek en, indien van toepassing, schriftelijke bewijsstukken betreffende de inkomsten uit het appartement en de kelderberging. Appellante heeft verzuimd de gevraagde gegevens aan te leveren, waarna het college bij besluit van 22 oktober 2015 het recht op bijstand van appelante met ingang van 16 oktober 2015 heeft opgeschort. Hierbij is appellante in de gelegenheid gesteld de gegevens uiterlijk op 6 november 2015 bij het college in te leveren. Appellante heeft van deze gelegenheid evenmin gebruik gemaakt. Wel heeft haar zoon namens appellante op 2 november 2015 meegedeeld te kunnen aantonen dat niet H, maar de moeder van H eigenaar van het appartement en de kelderberging is. Deze mededeling heeft het college aanleiding gegeven bij besluit van 18 november 2015 het besluit van 22 oktober 2015 in te trekken. De blokkering van de betaling van bijstand per

1 september 2015 heeft het college gehandhaafd. Vervolgens heeft het college appellante uitgenodigd voor een gesprek op 30 november 2015 om de onderzoeksgegevens te bespreken, waarbij haar opnieuw is verzocht de hiervoor genoemde gegevens met betrekking tot de woning in Frankrijk, waaronder nu ook een eigendomsakte, mee te brengen. Op verzoek van appellante heeft het college de afspraak verplaatst naar 1 december 2015. Appellante is op deze afspraak, zonder bericht, niet verschenen en heeft de gevraagde gegevens niet ingeleverd.

1.4.

Bij besluit van 1 december 2015 heeft het college het recht op bijstand van appellante opgeschort en appellante uitgenodigd voor een gesprek op 7 december 2015, waarbij haar de gelegenheid is geboden de gevraagde gegevens alsnog in te leveren. Appellante is op dat gesprek wel verschenen, maar heeft de gevraagde gegevens niet ingeleverd. Appellante heeft wel twee Franstalige documenten ingeleverd. Daarbij heeft zij verklaard dat zij niet de eigenaar is of zal worden van het appartement en de kelderberging in Frankrijk, zij niet op de hoogte was van de eigendomssituatie van het appartement en de kelderberging, anders dan dat haar man deze zou erven bij overlijden van zijn moeder en dat het appartement en de kelderberging nu wordt geëxploiteerd door haar schoonmoeder en schoonzus. H zou het appartement en de kelderberging samen met zijn zus erven bij het overlijden van diens moeder.

1.5.

Bij besluit van 14 december 2015 heeft het college de bijstand van appellante per gelijke datum beëindigd en het recht op bijstand met ingang van 1 december 2015 ingetrokken. Tevens heeft het college de bijstand over de periode 22 september 2009 tot 1 december 2015 ingetrokken en over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 104.336,95 van haar teruggevorderd.

1.6.

Op 22 januari 2016 heeft appellante de door het college verzochte gegevens alsnog ingeleverd.

1.7.

Bij besluit van 17 mei 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 december 2015 gegrond verklaard, het besluit van 14 december 2015 herroepen voor zover het de intrekking van bijstand over de periode 22 september 2009 tot 1 december 2015 en de terugvordering betreft en de intrekking van bijstand met ingang van

1 december 2015 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de PW kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten. Artikel 54, vierde lid, van de PW bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

4.2.

Appellante voert aan dat het college van de bevoegdheid tot intrekking van het recht op bijstand geen gebruik heeft kunnen maken, nu er tussen de ingangsdatum van de opschorting en het besluit tot intrekking meer dan acht weken verstreken zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 6 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB3024) kan artikel 54, vierde lid, van de PW niet als formele bevoegdheidsgrondslag voor intrekking worden gehanteerd, indien de in het eerste lid van artikel 54 van de PW genoemde opschortingstermijn van acht weken, gerekend vanaf de ingangsdatum van de opschorting, is verstreken. Vaststaat dat het besluit van 22 oktober 2015 bij besluit van 18 november 2015 is ingetrokken. Het college is tot de intrekking van dat besluit overgegaan om appellante tegemoet te komen, nadat de zoon namens appellante had toegezegd de vereiste informatie (alsnog) te kunnen aanleveren. Nadat die toezegging door appellante niet was nagekomen heeft het college op 1 december 2015 een nieuw opschortingsbesluit genomen. De opschortingstermijn die hier aan de orde is ving zodoende pas aan met dat besluit van 1 december 2015. Dit betekent de termijn van acht weken ten tijde van het besluitvorming van 14 december 2015 nog niet was verstreken.

4.3.

Niet in geschil is dat appellante niet binnen de haar gegeven hersteltermijnen, uiteindelijk eindigend op 7 december 2015, maar pas op 22 januari 2016 de door het college gevraagde gegevens heeft ingeleverd. De stelling van appellante dat het college gehouden was met de door haar in de bezwaarfase op 22 januari 2016 ingeleverde stukken rekening te houden, houdt geen stand. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 16 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7575) komt in beginsel geen betekenis toe aan gegevens of stukken die tijdens de bezwaarfase alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien appellante aannemelijk maakt dat het gaat om gegevens of stukken die zij redelijkerwijs niet binnen de gegeven hersteltermijn heeft kunnen verstrekken. Appellante is daarin niet is geslaagd. Uit het verslag van het verhoor van 7 december 2015 blijkt dat appellante al enige tijd over een deel van de door het college gevraagde gegevens beschikte, maar dat zij die gegevens niet heeft laten vertalen en niet heeft ingeleverd. Dat de advocaat van appellante haar vertelde dat de wel beschikbare stukken nog niet vertaald en ingeleverd hoefden te worden, omdat het geheel nog niet compleet was, doet aan het voorgaande niet af. Gelet op de frequentie waarmee door het college om de stukken werd gevraagd, had het appellante duidelijk moeten zijn dat ook gedeelten van de gevraagde stukken ingeleverd hadden moeten, zodra dat mogelijk was. Dat appellante dit heeft nagelaten komt voor haar eigen rekening en risico. Evenmin had het college appellante een nadere termijn moeten geven om de op 7 december 2015 overgelegde stukken alsnog te vertalen. Het lag op de weg van appellante om tijdig zorg te dragen voor de vertaling van de documenten. Het enkele feit dat haar zoon deze documenten pas in het weekend van 5 en 6 december 2015 in Frankrijk heeft opgehaald en op 6 december 2015 aan appellante heeft overhandigd, maakt dit niet anders, nu appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet op een eerder moment de beschikking had kunnen krijgen over de betreffende documenten uit Frankrijk.

4.4.

Appellante voert tot slot aan dat de haar bij besluit van 1 december 2015 geboden termijn tot 7 december om de gevraagde stukken in te leveren onredelijk kort is. Appellante verwijst daarbij naar de uitspraak van 21 oktober 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BG1395). Deze beroepsgrond slaagt niet. De door het college geboden termijn was niet onredelijk kort en is, anders dan appellante stelt, voldoende afgestemd op de aard en de omvang van de gevraagde gegevens en bescheiden. Daarvoor is van belang dat het college appellante reeds bij besluit van 18 november 2015 heeft gevraagd de stukken in te leveren en niet pas op

1 december 2015. Het had op de weg van appellante gelegen het college binnen de gegeven termijn gemotiveerd om nader uitstel te vragen, indien zij meer tijd nodig had voor het verkrijgen van de gevraagde gegevens dan wel het college, voorzien van bewijsstukken, ervan in kennis te stellen dat het niet mogelijk was om de gevraagde gegevens te verstrekken. Dat appellante dit heeft nagelaten komt voor haar eigen rekening.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW is voldaan. Het college was daarom bevoegd de bijstand van appellante met ingang van 1 december 2015 in te trekken. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. Hillen en

Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2019.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J. Smolders

lh