Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1392

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-04-2019
Datum publicatie
25-04-2019
Zaaknummer
18/4862 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Ter uitvoering van de uitspraak van 31 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1599 heeft korpschef het bestreden besluit genomen. Vergelijkbaarheid of uitwisselbaarheid vakgebied GGP is tussen partijen niet in geschil. Gelet op de beschikbaarheid horizontale functie Senior GGP in schaal 8, kon niet meer worden toegekomen aan de vraag naar de vergelijkbaarheid of uitwisselbaarheid functie Operationeel Expert GGP, schaal 9. Geheel in lijn met de stappen in bijlage 7 bij Moederdocument. Gemachtigde korpschef heeft niet de juiste informatie verstrekt in eerdere uitspraak. Echter daarin geen reden appellant te volgen in standpunt dat korpschef aan de eerder gegeven en nu onjuist gebleken beschrijving gevolgde werkwijze zou moeten worden gehouden. Vooral omdat de korpschef zich van meet af aan op het standpunt heeft gesteld dat plaatsing in de functie van Senior GGP juist is geweest en dit standpunt op zichzelf beschouwd niet onhoudbaar is. Rechtszekerheid niet in geding geweest, noch sprake van opgewekt vertrouwen dat zou moeten worden gehonoreerd. Het gebrek is hersteld en beroep van appellant tegen het bestreden besluit slaagt dus niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2019/101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4862 AW

Datum uitspraak: 18 april 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van de korpschef van politie van 18 juli 2018

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 31 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1599, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 oktober 2017, 17/3149, vernietigd, opdracht gegeven tot het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 18 juli 2018 (bestreden besluit) heeft de korpschef een nieuwe beslissing genomen op het bezwaar van appellant. Namens appellant heeft mr. G.J. Dammingh, advocaat, beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dammingh. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N.J. Mathura en F.J.A. Gunther.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 31 mei 2018. Hij voegt daaraan het volgende toe.

1.2.

De Raad heeft met zijn uitspraak van 31 mei 2018 geoordeeld dat de motivering van het plaatsingsbesluit van 10 juni 2016 tekortschiet. Het Registratieformulier Commissie Functievergelijking Personele Reorganisatie geeft geen antwoord op de vraag waarom de functie van Senior GGP wél en de naasthogere functie van Operationeel Expert GGP níet als vergelijkbaar of inwisselbaar uit de bus is gekomen. Ook in het bestreden besluit is op deze vraag niet inhoudelijk ingegaan, dit ondanks de in bezwaar door appellant geuite wens om in aanmerking te worden gebracht voor laatstbedoelde functie. In beroep en in hoger beroep is namens de korpschef opgemerkt dat de onderscheiden hoofdtaken van de korpsfunctie zich bevinden op het niveau van de functie van Senior GGP. De hoofdtaken operationele leiding en bedrijfsvoering zijn volgens de korpschef te vergelijken met de zaakscoördinatie, plannen van aanpak en deskundigheidsbevordering in de functie van Senior GGP. Enkel het houden van functioneringsgesprekken overstijgt het niveau van die functie, aldus de korpschef. Echter, aldus verder de korpschef, dit betreft een enkel taakelement en de elementen dienen integraal te worden uitgevoerd. Deze redenering is niet steekhoudend. Wat in de beschrijving van de functie van Senior GGP wordt aangeduid als “Zaakscoördinatie” is namelijk onder het kopje “Organisatorische coördinatie” één op één terug te vinden in de beschrijving van de functie van Operationeel Expert GGP met nu net diezelfde toevoeging: het voeren van functioneringsgesprekken. Verder bevat ook de beschrijving van de functie van Operationeel Expert GGP de door de korpschef genoemde elementen van plannen van aanpak en deskundigheidsbevordering. In zoverre valt de gemaakte keuze dus niet te verklaren. Van belang in dit verband is verder dat ter zitting van de Raad namens de korpschef uitdrukkelijk is toegelicht dat de salarisschaal in dit opzicht niet allesbepalend is en door de Commissie ook niet als zodanig in aanmerking is genomen. Het gegeven dat de functie van Senior GGP in dezelfde schaal valt als de voormalige korpsfunctie van Coördinator UTV, terwijl de functie van Operationeel Expert GGP één schaal hoger is ingedeeld, kan op zichzelf beschouwd dus ook niet maatgevend zijn voor de keuze tussen de twee functies, aldus de Raad in zijn uitspraak van 31 mei 2018.

2. De korpschef heeft ter uitvoering van deze uitspraak het bestreden besluit genomen. In het bestreden besluit is toegelicht dat de Commissie Functievergelijking (Commissie) is nagegaan of binnen het vakgebied GGP een functie op hetzelfde schaalniveau aanwezig is. De Commissie heeft geoordeeld dat de functie van Senior GGP vergelijkbaar en uitwisselbaar is. Omdat dit de enige beschikbare functie op het schaalniveau (8) van appellant was, is de Commissie, gelet op de afgesproken werkwijze, niet meer toegekomen aan een beoordeling van de functie van Operationeel Expert GGP. Een vergelijking met de functie van Operationeel Expert GGP zou pas aan de orde zijn geweest als de Commissie zou hebben vastgesteld dat er geen horizontale functie beschikbaar was. De korpschef heeft daarbij gewezen op het Moederdocument, bijlage 7: “Functievergelijking reorganisatie politiewet 2012, Werkwijze Commissie Functie Vergelijking (CFV)”. De korpschef heeft het bezwaar tegen het plaatsingsbesluit van 10 juni 2016, onder aanvulling van de motivering ervan, opnieuw ongegrond verklaard.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Voor een uitgebreide weergave van de toepasselijke regelgeving en de op grond daarvan gemaakte afspraken wordt verwezen naar de uitspraak van 31 mei 2018.

3.2.

In bijlage 7 bij het Moederdocument, “Functievergelijking reorganisatie politiewet 2012, Werkwijze Commissie Functie Vergelijking (CFV)” is het volgende opgenomen:

“De functievergelijking wordt uitgevoerd aan de hand van onderstaande criteria:

 Stap 1: Het domein wordt getoetst. Indien het domein niet overeenkomt stopt de functievergelijking.

 Stap 2: het vakgebied wordt getoetst. Beoordeeld wordt of de uitgangspositie LFNP vergelijkbaar of uitwisselbaar is met het vakgebied van een functie uit het team (zie bijlage 1, voorbeeld dossier). Indien het vakgebied niet overeenkomt stopt de functievergelijking.

 Stap 3: Indien het vakgebied uitwisselbaar is en er is een horizontale functie beschikbaar in het team dan is deze in principe aangemerkt als vergelijkbaar of uitwisselbaar.

 Stap 4: Indien er geen horizontale functievergelijking mogelijk is of de CFV beschouwt de functie niet als horizontaal vergelijkbaar of uitwisselbaar dan wordt er getoetst of een beschikbare +1/-1 functie wel als vergelijkbaar of uitwisselbaar kan worden aangemerkt. Voor de functievergelijking wordt in dat geval gebruik gemaakt van de in bijlage 2 vastgestelde criteria.”

3.3.

Zoals al is overwogen in de uitspraak van 31 mei 2018, is de vergelijkbaarheid of uitwisselbaarheid van het vakgebied GGP tussen partijen niet in geschil. Uitgaande van de stappen zoals onder 3.2 weergegeven, gaat het in deze zaak dus om de toepassing van de stappen 3 en 4. De korpschef heeft in het bestreden besluit de stelling betrokken dat, gelet op de beschikbaarheid van de horizontale functie van Senior GGP in schaal 8, niet meer kon worden toegekomen aan de vraag naar de vergelijkbaarheid of uitwisselbaarheid van de functie van Operationeel Expert GGP, schaal 9.

3.4.

Die stelling van de korpschef is geheel in lijn met de stappen in bijlage 7 bij het Moederdocument, zoals onder 3.2 weergegeven. Er is geen reden voor het oordeel dat de in bijlage 7 opgenomen afspraken een overschrijding inhouden van de grenzen van een redelijke beleidsbepaling, met name niet omdat het hier de uitvoering van een personele reorganisatie betreft waarbij behoud van het eigen salarisniveau zo veel mogelijk het uitgangspunt zal dienen te zijn. Het is niet onaanvaardbaar dat bij de functievergelijking de horizontale plaatsing voorrang heeft verkregen op de wijze als onder 3.2 weergegeven.

3.5.

Tegelijk moet worden vastgesteld dat de gemachtigde van de korpschef het in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 31 mei 2018 heeft doen voorkomen alsof de functievergelijking onder meer in dit geval niet volgens de onder 3.2 weergegeven stappen is verlopen en de Commissie in de praktijk na bepaling van het vakgebied nog door middel van een inhoudelijke vergelijking, waarbij het salarisniveau niet doorslaggevend was, heeft gezocht naar de meest vergelijkbare of uitwisselbare functie. Vooropgesteld wordt dat het bepaald ongelukkig is te noemen dat aldus niet de juiste informatie is verstrekt. Appellant is daarmee een verkeerd beeld gegeven en de Raad heeft op basis van onjuist gebleken informatie uitspraak gedaan. De Raad ziet echter geen reden om appellant te volgen in zijn standpunt dat de korpschef aan de eerder gegeven en nu onjuist gebleken beschrijving van de gevolgde werkwijze zou moeten worden gehouden. In dat verband is van belang dat de korpschef zich van meet af aan op het standpunt heeft gesteld dat de plaatsing in de functie van Senior GGP juist is geweest en dat de Raad in zijn uitspraak van 31 mei 2018 niet heeft geoordeeld dat dit standpunt op zichzelf beschouwd niet houdbaar is. De rechtszekerheid is dus niet in het geding geweest, noch is er sprake van opgewekt vertrouwen dat zou moeten worden gehonoreerd. De Raad heeft in zijn uitspraak van 31 mei 2018 de tot dan toe beschikbare motivering van het standpunt van de korpschef ondeugdelijk geacht. Gelet op wat is overwogen onder 3.1 tot en met 3.4 kan niet anders worden geoordeeld dan dat dat gebrek is hersteld en dat de plaatsing in de functie van Senior GGP nu wel van een toereikende motivering is voorzien.

3.6.

Het beroep van appellant tegen het bestreden besluit slaagt dus niet. De Raad zal het beroep ongegrond verklaren.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep tegen het besluit van 18 juli 2018 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van F.H.R.M. Robbers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2019.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) F.H.R.M. Robbers

md