Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1318

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2019
Datum publicatie
24-04-2019
Zaaknummer
18/1264 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet verschoonbare termijnoverschrijding van bezwaar. College heeft met wijze van verzending de verzending aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/251
NJB 2019/1089
JB 2019/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1264 PW

Datum uitspraak: 16 april 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

23 januari 2018, 17/4791 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.R.G. Keijzer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Appellante heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2019. Namens appellante is verschenen mr. Keijzer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 20 maart 2017, geadresseerd aan het adres van de bewindvoerder van appellante (bewindvoerder), heeft het college de aanvraag van appellante van

15 februari 2017 om bijzondere bijstand voor de maandelijkse kosten van bewindvoering afgewezen.

1.2.

De bewindvoerder heeft bij e-mail van 4 april 2017 aan het college meegedeeld dat hij bericht heeft ontvangen dat de aangevraagde bijstand in verband met kosten van bewindvoering is afgewezen en heeft het college verzocht om de bijbehorende draagkrachtberekening.

1.3.

Bij brief van 17 mei 2017 heeft het college aan de bewindvoerder een afdruk van de draagkrachtberekening behorend bij het besluit van 20 maart 2017 gezonden.

1.4.

Bij brief van 31 mei 2017 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 maart 2017.

1.5.

Bij besluit van 6 juli 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar

niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellante niet binnen de termijn van zes weken bezwaar heeft gemaakt en dat deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het besluit van 20 maart 2017 is verzonden via het registratiesysteem Socrates. De verzending op 20 maart 2017 is volgens het college daarmee aannemelijk gemaakt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbende zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat de bewindvoerder het besluit van 20 maart 2017 pas bij brief van 17 mei 2017 heeft ontvangen, zodat het college het bezwaar daartegen ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.3.

Vaststaat dat het college het besluit van 20 maart 2017 niet aangetekend heeft verzonden. Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie.

4.4.

Niet in geschil is dat het besluit van 20 maart 2017 is voorzien van het juiste adres van de bewindvoerder.

4.5.

Het college heeft verklaard dat in deze zaak dezelfde wijze van verzending heeft plaatsgevonden als is weergegeven in de uitspraak van 8 mei 2018, ECLI:CRVB:2018:1364, en heeft daarbij bewijsstukken overgelegd. Uit een schermafdruk blijkt dat ten behoeve van appellante op 20 maart 2017 in het registratiesysteem Socrates een document is aangemaakt met documentnummer [nummer] , dat het gaat om een afwijzing bijzondere bijstand en dat het document naar de centrale printstraat is verzonden. Uit een andere schermafdruk blijkt dat document [nummer] het modelnummer [modelnummer] heeft, wat onderaan op het besluit van

20 maart 2017 ook staat vermeld. Alle op 20 maart 2017 in Socrates aangemaakte documenten, in totaal 714 stuks, zijn op die dag in de avond in een zogenoemd zipbestand (batch) samengevoegd, wat blijkt uit een andere schermafdruk. Daaruit blijkt ook dat deze batch het document met documentnummer [nummer] bevat. Uit een e-mail van PostNL van dezelfde avond blijkt dat deze batch is ontvangen en dat voor het centraal printen 714 documenten ingelezen zijn.

4.6.

Het college heeft met de onder 4.5 vermelde wijze van verzending en overgelegde stukken aannemelijk gemaakt dat het besluit van 20 maart 2017 op die datum ter post is bezorgd (vergelijk de uitspraak van 8 mei 2018, ECLI:CRVB:2018:1364).

4.7.

Wat appellante onder verwijzing naar de uitspraak van 11 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3935, heeft aangevoerd, namelijk dat met de overgelegde schermafdrukken de verzending niet aannemelijk is gemaakt, leidt niet tot een ander oordeel. Die uitspraak ziet op verzending van een besluit door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, waar het verzendproces op een andere wijze verloopt. Anders dan in Rotterdam wordt in Amsterdam elk document voorzien van een eigen documentnummer dat in de verzendadministratie is terug te vinden. Zo wordt de verzending van elk afzonderlijk document geregistreerd. De overgelegde schermafdrukken bieden in dit geval voor de verzending van het besluit van 20 maart 2017 voldoende bewijs. Dit wordt niet anders omdat, zoals appellante ter zitting heeft aangevoerd, op de bij de in 4.5 genoemde e-mail van PostNL gevoegde uitdraai staat vermeld: ‘Aantal documenten met adres onbekend: 6’. Het besluit van 20 maart 2017 was immers voorzien van het adres van de bewindvoerder.

4.8.

Uit 4.4 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2019.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) Y. Itkal

md