Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1304

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-04-2019
Datum publicatie
15-04-2019
Zaaknummer
17/433 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag voor hoger bedrag aan bijzondere bijstand voor kosten bewindvoerder. Intrekken en terugvorderen bijzondere bijstand kosten bewindvoerder. Beoordelen draagkracht bij minnelijk schuldhulpverleningstraject.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/238
NJB 2019/1086
JWWB 2019/114
USZ 2019/145 met annotatie van I.M. Lunenburg
RSV 2019/111
NBJ-Pw/2019/011 met annotatie van mr. Lance op den Camp
NBJ-Pw/2019/010 met annotatie van mr. Lance op den Camp
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 433 PW, 17/434 PW, 17/797 PW, 17/798 PW

Datum uitspraak: 9 april 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
14 december 2016, 15/2619 en 15/2620 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (college)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van een gemeentelijke herindeling oefent het college met ingang van

1 januari 2018 de bevoegdheden op grond van de Participatiewet (PW) uit die voorheen werden uitgeoefend door het dagelijks bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân (dagelijks bestuur). In deze uitspraak wordt onder het college tevens verstaan het dagelijks bestuur.

Het college heeft hoger beroep ingesteld en ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op
9 januari 2017 nieuwe beslissingen op bezwaar (nadere besluiten) genomen.

Namens betrokkene heeft mr. E.P. Groot, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2019. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.B. Visser. Namens betrokkene is mr. Groot verschenen, vergezeld door L.H. Blaas, bewindvoerder van betrokkene.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij beschikking van 26 juli 2013 heeft de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Nederland een bewind ingesteld over de goederen en gelden die aan betrokkene (zullen) toebehoren.

1.2.

Bij besluit van 17 februari 2014 heeft het college betrokkene op zijn aanvraag bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend voor de kosten van bewindvoering voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 tot een bedrag van € 74,21 per maand.

1.3.

Op 27 januari 2015 heeft betrokkene een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering voor het jaar 2015 tot een bedrag van € 1.337,-

(€ 111,42 per maand). Bij besluit van 10 februari 2015 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat betrokkene over voldoende draagkracht beschikt om de kosten zelf te kunnen dragen.

1.4.

Bij besluit van 22 juni 2015 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 10 februari 2015 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en aan betrokkene bijzondere bijstand toegekend voor de kosten van bewindvoering voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 tot een bedrag van € 5,37 per maand. Aan bestreden besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd dat bij de draagkrachtberekening abusievelijk rekening is gehouden met het feit dat betrokkene gelet op de hoogte van zijn inkomen niet de volledige huur- en zorgtoeslag heeft ontvangen. De draagkracht is verder juist berekend en het college ziet geen reden om het inkomen van betrokkene lager vast te stellen. Betrokkene kan in het kader van zijn minnelijke schuldhulpverleningstraject desgewenst over een hoger inkomen beschikken dan het in het kader van dat traject vrijgelaten deel van zijn inkomen. Het college ziet geen aanleiding en voert ook geen beleid om bij de draagkrachtberekening het minnelijke schuldsaneringstraject gelijk te stellen aan een schuldsaneringstraject op grond van de Wet schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (WSNP).

1.5.

Bij besluit van 26 februari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 juni 2015 (bestreden besluit 2), heeft het college de aan betrokkene verleende bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering over de periode van 12 maart 2014 tot en met

31 december 2014 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijzondere bijstand tot een bedrag van € 715,77 van betrokkene teruggevorderd. Aan bestreden besluit 2 heeft het college ten grondslag gelegd dat betrokkene per 12 maart 2014 inkomsten uit arbeid ontvangt en dat daarmee zijn draagkracht na herberekening voldoende is om de kosten van bewindvoering uit eigen middelen te voldoen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en het college opgedragen opnieuw op de bezwaren van betrokkene te beslissen. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat de verplichtingen op grond van een minnelijk schuldhulpverleningstraject gelijk zijn te stellen met een WSNP-traject en dat het college daarom voor betrokkene een gunstiger draagkracht dient te berekenen conform de uit de WSNP voortvloeiende normen.

3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij de nadere besluiten de bezwaren gegrond verklaard, de besluiten van 10 en 26 februari 2015 herroepen en aan betrokkene voor de kosten van bewindvoering voor het jaar 2015 bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van € 111,42 per maand.

4. In hoger beroep heeft het college zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

De nadere besluiten worden, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de

Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.

5.2.

Artikel 35, eerste lid, van de WWB en de PW bepaalt dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand heeft voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

5.3.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de kosten van bewindvoering uit de draagkracht van betrokkene konden worden voldaan.

5.4.

Uit de tekst van artikel 35, eerste lid, van de WWB en de daarop gegeven toelichting volgt dat het bijstandverlenend orgaan in het kader van de bijzondere bijstand de volledige vrijheid heeft in de vaststelling van de draagkracht van een belanghebbende. Dit betekent dat het bijstandverlenend orgaan zelf bepaalt welk deel van de middelen bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen. De vrijlatingsbepalingen op grond van artikel 34 (vermogen) van de WWB zijn daarom niet verplicht van toepassing (Kamerstukken II,

2002-2003, 28 870, nr. 3, pag. 65). Er is geen grond daarover voor de toepassing van de PW anders te oordelen (uitspraak van 26 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3311).

5.5.

Het college voert, voor zover hier van belang, het beleid dat in geval van executoriaal beslag en schuldsanering op grond van de WSNP de draagkracht in beginsel alleen berekend wordt over de middelen waarover een belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft.

5.6.

Het college heeft aangevoerd dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, een minnelijk schuldhulpverleningstraject niet te vergelijken is met een schuldsaneringstraject ingevolge de WSNP. Volgens het college kan betrokkene in het kader van zijn minnelijke schuldhulpverleningstraject, anders dan in geval van een WSNP-traject, redelijkerwijs beschikken over zijn inkomen. Deze beroepsgrond slaagt. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.7.

Vaststaat dat de schuldsaneringsregeling van de WSNP niet op betrokkene van toepassing is. Betrokkene neemt deel aan een (buitenwettelijk) minnelijk schuldhulpverleningstraject en beschikt in dat kader over een door zijn schuldhulpverlener vastgesteld vrij te laten bedrag van zijn inkomen. Met het verschil tussen het inkomen en dat vrij te laten bedrag worden de schulden van betrokkene afgelost. Betrokkene heeft daartoe met de Stichting Kredietbank Nederland (Kredietbank) een schuldregelingsovereenkomst gesloten op grond waarvan hij verplicht is zijn volledige inkomen boven het vastgestelde vrij te laten bedrag over te maken aan de Kredietbank. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij het sluiten van die overeenkomst niet een hoger vrij te laten bedrag had kunnen bedingen, zodanig dat hij daaruit de kosten van bewindvoering zelf kan voldoen uit zijn inkomen. Uit de brief van L. Blaas van de Kredietbank van 8 maart 2016 blijkt ook dat de kosten van beschermingsbewind als correctiepost kunnen worden opgevoerd bij de berekening van de afloscapaciteit. Dat een eventuele verhoging van het vrij te laten bedrag ten koste gaat van de aflossingscapaciteit en dat schuldeisers hierdoor mogelijk niet bereid zijn mee te werken aan de minnelijke regeling, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van

11 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP0483), speelt de omstandigheid dat minder overblijft voor schuldeisers na verhoging van het vrij te laten bedrag geen rol in het kader van bijstandsverlening.

5.8.

Uit 5.1 tot en met 5.7 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen ongegrond verklaren. Dit betekent voorts dat de grondslag aan de nadere besluiten ontvalt, zodat ook die besluiten moeten worden vernietigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart de beroepen ongegrond;

- vernietigt de besluiten van 9 januari 2017.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en E.C.R. Schut en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2019.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) V.Y. van Almelo

md