Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:129

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2019
Datum publicatie
17-01-2019
Zaaknummer
17/3577 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:2290, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Benadelingshandeling. Zoals ook ter zitting is gebleken, heeft appellant het aanwenden van rechtsmiddelen tegen zijn ontslag en het instellen van een loonvordering tegen zijn werkgeefster afhankelijk gesteld van de strafzaak. Na de vrijspraak, in augustus 2014, heeft het echter nog tot februari 2015 geduurd alvorens hij de werkgeefster dagvaardde. Dat hij instemde met de vaststellingsovereenkomst, heeft appellant, zoals hij diverse malen heeft gesteld, gedaan op advies van zijn toenmalige advocaat. Door aldus te handelen heeft appellant loonaanspraken prijsgegeven en niet alle juridische mogelijkheden benut. Appellant heeft daarbij bewust gehandeld. Daarom geen sprake dat de gedraging appellant niet in overwegende mate kan worden verweten of dat die verwijtbaarheid geheel ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2019-0004
USZ 2019/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3577 ZW

Datum uitspraak: 11 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

28 maart 2017, 16/2165 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[werkgeefster] (werkgeefster)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Çelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Çelen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele. Namens de werkgeefster is [naam] verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 28 november 2012 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als vloerenlegger in dienst getreden bij werkgeefster. Appellant heeft zich op 8 mei 2013 ziek gemeld. Werkgeefster heeft appellant op 21 juni 2013 op staande voet ontslagen omdat door appellant goederen van de werkgeefster zouden zijn ontvreemd. Appellant heeft de nietigheid van het ontslag ingeroepen.

1.2.

Appellant heeft het Uwv in augustus 2013 verzocht hem een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) te verstrekken. Bij besluit van 23 augustus 2013 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat er onduidelijkheid bestaat over het recht op een ZW-uitkering. Tevens is besloten geen voorschot te verstrekken.

1.3.

Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van appellant, heeft het Uwv in het voorjaar van 2015 alsnog bezien of appellant recht had op een ZW-uitkering. Dit heeft geleid tot een besluit van 10 september 2015 waarbij het Uwv heeft bepaald dat de ZW-uitkering niet wordt uitbetaald. Als reden daarvoor heeft het Uwv gesteld dat de werkgeefster het dienstverband heeft beëindigd toen appellant ziek was. Appellant heeft zich daarbij neergelegd en heeft niet al het mogelijke gedaan om zijn baan te behouden.

1.4.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 september 2015. Dat bezwaar heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 17 februari 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat appellant heeft ingestemd met de beëindiging van de dienstbetrekking in de periode waarin hij recht had op doorbetaling van loon zodat hij eerder een beroep doet op een ZW-uitkering dan strikt noodzakelijk zou zijn. Daarmee benadeelt appellant de fondsen waaruit de ZW-uitkering wordt betaald. Als appellant tijdig de nodige maatregelen had getroffen tegen het ontslag op staande voet, was de werkgeefster gehouden geweest tijdens ziekte over maximaal 104 weken het loon door te betalen. Om die reden heeft het Uwv de uitkering blijvend geheel geweigerd.

2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft aangenomen dat appellant een benadelingshandeling heeft gepleegd en dat niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven voor het oordeel dat appellants gedragingen hem niet in overwegende mate verweten kunnen worden. Nu de benadelingshandeling appellant ten volle kan worden verweten, heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv op grond van artikel 45 van de ZW verplicht was de maatregel van blijvend gehele weigering op te leggen.

3.1.

Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak. Appellant stelt dat hij meerdere procedures tegen werkgeefster heeft gevoerd om het ontslag op staande voet aan te vechten. Hij heeft tot aan de kantonrechter geprocedeerd, echter tevergeefs. Ten onrechte is geoordeeld dat hij werkgeefster niet tijdig heeft betrokken door deze niet te dagvaarden. Hij heeft de kantonrechter verzocht om loondoorbetaling en er alles aan gedaan om zijn loonaanspraken te behouden. Er is op advies van zijn voormalige gemachtigde een overeenstemming bereikt met werkgeefster. Daarbij heeft appellant aangevoerd dat een procedure tegen werkgeefster wel degelijk zinledig zou zijn geweest omdat de relatie tussen hem en werkgeefster gespannen was vanwege de aangifte van diefstal, hij door dit conflict niet meer welkom was en de arbeidsovereenkomst alsnog zou zijn beëindigd. Hij is van mening dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt en afgezien dient te worden van het opleggen van een maatregel. Nu het Uwv appellant heeft gevolgd in zijn standpunt dat hij wel de nietigheid heeft ingeroepen staat vast dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.

3.2

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW bepaalt dat het Uwv het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend weigert, indien de verzekerde door zijn doen of laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het sectorfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid benadeelt of zou kunnen benadelen. Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het krachtens artikel 45, zesde lid, van de ZW vastgestelde Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten bestaat de maatregel als hiervoor bedoeld uit een blijvend gehele weigering van de uitkering, tenzij het niet nakomen van de verplichting de belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak is er sprake van een benadelingshandeling in de zin van

artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, in samenhang met lid 7 van de ZW in situaties waarin een werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het arbeidsongeschiktheidsrisico al is ingetreden. Hiermee is immers een einde gekomen aan de loonbetalingsverplichting van een werkgever op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW), ter vervanging waarvan vervolgens ziekengeld wordt gevraagd.

4.3.

Appellant is op staande voet ontslagen omdat hij, naar de mening van de werkgeefster, goederen van de werkgeefster had ontvreemd. De werkgeefster heeft daarvan aangifte gedaan. In de daaropvolgende strafzaak is appellant van het hem tenlastegelegde vrijgesproken.

Kort na het ontslag op staande voet heeft appellant de vernietigbaarheid daarvan ingeroepen. Appellant heeft op 17 februari 2015 de werkgeefster gedagvaard voor de kantonrechter. Ter zitting bij de kantonrechter op 15 juni 2015 zijn appellant en werkgeefster vervolgens tot een vaststellingovereenkomst gekomen waarbij appellant heeft berust in de beëindiging van het dienstverband per 21 juni 2013. Tegen de verklaring dat partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben, heeft de werkgeefster een bedrag van € 1.250,- netto aan achterstallig loon en andere bedragen tot 21 juni 2013 aan appellant betaald.

4.4.

Zoals ook ter zitting is gebleken, heeft appellant het aanwenden van rechtsmiddelen tegen zijn ontslag en het instellen van een loonvordering tegen zijn werkgeefster afhankelijk gesteld van de strafzaak. Hoewel appellant de vernietigbaarheid van het ontslag op staande voet had ingeroepen, heeft hij die procedure op advies van zijn toenmalige advocaat niet voortgezet omdat eerst de uitkomst van de strafzaak zou worden afgewacht. Na de vrijspraak, in augustus 2014, heeft het echter nog tot februari 2015 geduurd alvorens hij de werkgeefster dagvaardde. Dat hij instemde met de vaststellingsovereenkomst, heeft appellant, zoals hij diverse malen heeft gesteld, gedaan op advies van zijn toenmalige advocaat.

4.5.

Door aldus te handelen heeft appellant loonaanspraken prijsgegeven en niet alle juridische mogelijkheden benut. Appellant heeft daarbij bewust gehandeld. Dat het niet mogelijk zou zijn geweest om hangende de strafzaak tevens de werkgeefster aan te spreken op het nakomen van de arbeidsrechtelijke verplichtingen is niet gebleken. Voor zover appellant betoogt dat hij heeft gehandeld op advies van zijn gemachtigde, doet dat niet af aan zijn eigen verantwoordelijkheid. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld blijft dat voor rekening en risico van appellant.

4.6.

Gelet op het voorgaande, en gelet op de erkenning dat sprake is geweest van een bewuste gedraging, is er geen sprake van dat de gedraging appellant niet in overwegende mate kan worden verweten of dat die verwijtbaarheid geheel ontbreekt.

4.7.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en J.J.T. van den Corput en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2019.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) L. Boersma

rh