Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1267

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2019
Datum publicatie
11-04-2019
Zaaknummer
16/6817 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep op Korosec bij toepassing van art. 4:6 Awb in medische geschillen.

Geen aanleiding de uitgangspunten voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv, zoals geformuleerd in de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226), buiten toepassing te laten. In dit geval geen sprake van schending van beginsel van equality of arms en geen aanleiding om op die grond een deskundige in te schakelen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv in de nieuwe medische informatie geen aanleiding heeft hoeven zien om terug te komen van het besluit van 11 januari 2013.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0660
USZ 2019/142 met annotatie van J. Riphagen
RSV 2019/145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6817 ZW, 16/6818 ZW, 16/6819 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

22 september 2016, 15/4993, 16/939 en 16/940 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 10 april 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Kluivers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kluivers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als receptioniste/telefoniste voor gemiddeld 24 uur per week,

toen zij zich op 11 februari 2011 ziek meldde met psychische klachten. Op 28 februari 2011

was appellante betrokken bij een auto-ongeval als gevolg waarvan zij onder andere

nekklachten heeft gekregen. Nadat verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek

had plaatsgevonden, heeft het Uwv bij besluit van 11 januari 2013 vastgesteld dat appellante

met ingang van 8 februari 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk

en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2.

Naar aanleiding van een ziekmelding van appellante heeft het Uwv bij besluit van 2 juni 2015 vastgesteld dat appellante vanaf 5 juni 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar daartegen heeft het Uwv op 2 juni 2015 ongegrond verklaard.

1.3.

Naar aanleiding van een nieuwe ziekmelding van appellante heeft het Uwv bij besluit van 1 september 2015 vastgesteld dat appellante vanaf 31 augustus 2015 geen recht (meer) heeft op ziekengeld. Bij besluit van 2 september 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante vanaf 1 juli 2015 geen recht heeft op een WIA-uitkering. De bezwaren van appellante tegen de besluiten van 1 en 2 september 2015 heeft het Uwv bij besluit van 2 februari 2016 ongegrond verklaard.

1.4.

Bij besluit van 19 augustus 2015 heeft het Uwv het verzoek van appellante om terug te

komen van het besluit van 11 januari 2013, afgewezen. Het bezwaar van appellante tegen het

besluit van 19 augustus 2015 heeft het Uwv bij besluit van 3 maart 2016 (bestreden besluit)

ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de brief van neuroloog M.F. Roesdi van 19 november 2014, die appellante aan haar verzoek om terug te komen van het besluit van 11 januari 2013 ten grondslag heeft gelegd, geen blijk geeft van nieuwe medische feiten of veranderde omstandigheden met betrekking tot de gezondheidssituatie van appellante op 8 februari 2013.

3.1.

Gelet op het verhandelde ter zitting beperkt het geschil in hoger beroep zich tot de

afwijzing van het verzoek door het Uwv om voor het verleden terug te komen van het besluit van 11 januari 2013.

3.2.

Appellante heeft aangevoerd dat Roesdi in haar brief van 19 november 2014 te kennen

heeft gegeven dat appellante een HNP paramediaan rechts op niveau C5-C6 met vernauwing neuroforamen C6 heeft, dat het waarschijnlijk is dat deze HNP het gevolg is van het ongeval in februari 2011, en dat deze de door appellante ervaren pijn in de nek en rechterarm verklaart. Appellante stelt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een andere conclusie uit het onderzoek door Roesdi heeft getrokken dan Roesdi zelf heeft gedaan. Uit het feit dat Roesdi geen operatie heeft geadviseerd, kan volgens appellante niet de conclusie worden getrokken dat geen sprake is van een relevante HNP. Appellante heeft met een beroep op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, zaaknummer 77212/12, Korošec) betoogd dat de rechtbank vanwege de vereiste equality of arms een deskundige had moeten benoemen.

3.3.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het Uwv heeft de bij het verzoek van appellante gevoegde nieuwe medische gegevens van Roesdi ter beoordeling voorgelegd aan een verzekeringsarts bezwaar en beroep. De Raad begrijpt daaruit dat het Uwv de brief op zichzelf beschouwd wel als een nieuw feit of nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht heeft opgevat maar dat, na een inhoudelijk-medische beoordeling van de inhoud van die brief, is geconcludeerd dat die brief geen aanleiding geeft de medische beoordeling van destijds voor onjuist te houden, zodat er geen reden is om van het besluit van 11 januari 2013 terug te komen. Aan de hand van de daartegen aangevoerde beroepsgronden zal worden beoordeeld of het bestreden besluit stand kan houden.

4.2.

In dat verband is het volgende van belang. Nu een inhoudelijk-medische beoordeling van het Uwv voorligt met betrekking tot de vraag of de ingezonden medische gegevens tot een ander besluit dan het eerder genomen besluit hadden moeten leiden, is er geen aanleiding de uitgangspunten voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv, zoals geformuleerd in de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226), buiten toepassing te laten. Voor dit geval betekent dit het volgende.

5.1.

In wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken en beoordelingen niet op zorgvuldige wijze hebben plaatsgevonden. In de aangevallen uitspraak is inzichtelijk weergegeven welke onderzoeken en beoordelingen door de verzekeringsartsen zijn verricht. Die beoordelingen zijn als voldoende zorgvuldig aan te merken.

5.2.

Er is geen reden om aan te nemen dat appellante belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van haar standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar beperkingen destijds onjuist heeft beoordeeld. Appellante heeft in de procedure voldoende ruimte gehad om medische stukken in te dienen. Die ruimte heeft zij ook benut, met name door de inzending van onderzoeksgegevens van haar neuroloog, in aanvulling op de reeds aanwezige medische gegevens uit de vorige procedures. Als door een betrokkene informatie over onderzoeken en bevindingen van aandoeningen uit de behandelend medische sector is ingebracht, die naar zijn aard niet ongeschikt is om twijfel te zaaien aan de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv, brengt het arrest Korošec niet met zich mee dat de equality of arms geschonden is als de bestuursrechter geen onafhankelijke deskundige benoemt. In dit geval is geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms en bestaat geen aanleiding om op die grond een deskundige in te schakelen.

5.3.

Dat Roesdi de in 2014 vastgestelde nekhernia in waarschijnlijk verband heeft gebracht met het ongeval van appellante in 2011, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet tot de conclusie hoeven leiden dat de destijds aangenomen belastbaarheid van appellante per 8 februari 2013 onjuist is vastgesteld. In de medische beoordeling die aan het besluit van 11 januari 2013 ten grondslag is gelegd, is de brief van 16 september 2011 van revalidatiearts H.W.J. Rockx betrokken. Daarin is onder andere vermeld dat een op 11 maart 2011 gemaakte röntgenfoto van de cervicale wervelkolom geen afwijkingen liet zien, met name geen prevertebrale wekedelenzwelling en dat uit een MRI-scan van de cervicale wervelkolom discopathie op C5-C6 met enige bulging bleek, maar zonder aanwijzing voor wortelcompressie of myelumcompressie. De rechtbank heeft – in navolging van de verzekeringsarts bezwaar en beroep – bij haar oordeel terecht waarde gehecht aan het feit dat Roesdi in haar brief geen melding maakt van compressie van de uittredende zenuw en dat deze bevindingen overeenkomen met de resultaten van het onderzoek van Rockx van 16 september 2011. Zowel Rockx als Roesdi hebben voorts vastgesteld dat het zijwaarts heffen van de armen (abductie) bij appellante (fors) beperkt is tot 90 graden beiderzijds. Gelet op deze gegevens blijkt niet dat uit de in 2014 vastgestelde nekhernia verdergaande beperkingen voortvloeien dan door het Uwv – mede op basis van de van Rockx verkregen medische informatie – per 8 februari 2013 reeds zijn aangenomen. Daarbij wordt ook betekenis gehecht aan de verklaring van Roesdi dat de HNP op C5-C6 niet alle klachten van appellante verklaart.

5.4.

Gelet op wat in 5.1 tot en met 5.3 is overwogen heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het Uwv in de nieuwe medische informatie geen aanleiding heeft hoeven zien om terug te komen van het besluit van 11 januari 2013.

5.5.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten en met verbetering van gronden, worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en

R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is

uitgesproken in het openbaar op 10 april 2019.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) M.A.A. Traousis

VC