Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1229

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2019
Datum publicatie
16-04-2019
Zaaknummer
17/4974 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het recht op toeslag kan op de datum dat de partner van appellant geen inkomen meer heeft, niet herleven, omdat er geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de AOW (incidentele stijging van het inkomen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4974 AOW

Datum uitspraak: 4 april 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 juni 2017, 16/3279 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2019. Appellant is, met bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.C. Rooijers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellant is met ingang van 27 augustus 2014 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend, alsmede een – in verband met het inkomen van zijn partner – gekorte toeslag ingevolge die wet, omdat zijn partner de pensioengerechtigde leeftijd nog niet had bereikt. De partner van appellant ontving op dat moment een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) (tot en met 1 augustus 2016) en een aanvulling op grond van een wachtgeldregeling (tot en met 31 augustus 2015). De Svb heeft deze uitkeringen in de besluiten van 8 april 2014 en 17 juni 2015, waarbij het recht op toeslag is vastgesteld, aangemerkt als inkomen uit arbeid.

1.2.

Bij besluit van 23 maart 2016 heeft de Svb de aan appellant toegekende toeslag in verband met gewijzigde inkomsten van zijn partner herzien over de maanden juli en augustus 2015 en de toeslag beëindigd met ingang van 1 september 2015 omdat de WW‑uitkering van zijn partner met ingang van die datum moet worden gekwalificeerd als overig inkomen. In een afzonderlijk besluit van 23 maart 2016 heeft de Svb het te veel ontvangen bedrag van € 1.947,72 van appellant teruggevorderd.

1.3.

In bezwaar tegen de besluiten van 23 maart 2016 heeft appellant aangevoerd dat hij de Svb altijd volledig en juist heeft geïnformeerd over de aard en hoogte van de inkomsten van zijn partner. Op basis van die gegevens heeft de Svb destijds het recht op toeslag vastgesteld. Appellant heeft ook meegedeeld dat zijn partner vanaf 1 augustus 2016 geen inkomen meer heeft en dat hij ervan uitgaat dat hij vanaf die datum recht zal hebben op een volledige toeslag.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 7 juli 2016 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 23 maart 2016 gegrond verklaard, voor zover dat ziet op de herziening van de toeslag met terugwerkende kracht en de terugvordering. Het bezwaar is ongegrond verklaard voor zover dit is gericht tegen het oordeel van de Svb dat er vanaf april 2016 en augustus 2016 geen recht bestaat op een toeslag. Daartoe is overwogen dat, ondanks dat appellant nooit recht heeft gehad op een toeslag, van herziening met terugwerkende kracht wordt afgezien, omdat hij aan al zijn verplichtingen heeft voldaan en als gevolg van een onjuiste beoordeling van de Svb wel toeslag heeft ontvangen. Vanaf april 2016 bestaat er geen recht op toeslag omdat de WW‑uitkering van de partner boven de inkomensgrens uitkomt.

Tot slot is overwogen dat het recht op toeslag in deze situatie niet herleeft vanaf de datum dat de partner van appellant geen WW‑uitkering meer ontvangt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Geoordeeld is dat appellant vanwege het inkomen van zijn partner van meet af aan geen recht had op een toeslag. De Svb heeft weliswaar afgezien van het met terugwerkende kracht herzien van het recht op toeslag, maar de beëindiging van dit recht met ingang van april 2016 is terecht. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het recht op toeslag niet meer kan herleven met ingang van 1 augustus 2016.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn partner de WW‑uitkering had geweigerd als de Svb in het verleden een juiste beoordeling van het recht op toeslag had gemaakt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In het bestreden besluit is in zoverre tegemoet gekomen aan het bezwaar van appellant, dat de Svb heeft afgezien van het met terugwerkende kracht herzien van het recht op toeslag en de daarmee gepaarde terugvordering. Appellant is het echter niet eens met het oordeel van de rechtbank dat het recht op toeslag niet per 1 augustus 2016 kan herleven.

4.2.

Met ingang van 1 januari 2015 luidt artikel 8 van de AOW voor zover hier van belang:

“1. De pensioengerechtigde die voor 1 januari 2015 is gehuwd en voor die datum recht heeft op ouderdomspensioen en van wie de echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, heeft overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op een toeslag, tenzij, met inachtneming van artikel 11, het inkomen uit arbeid of overig inkomen van die echtgenoot meer bedraagt dan de volledige bruto-toeslag.

2. In afwijking van het eerste lid ontstaat op of na 1 januari 2015, geen recht meer op toeslag als gevolg van:

a. wijziging van het inkomen, bedoeld in het eerste lid;

(…)”.

3. Indien het recht op toeslag is geëindigd uitsluitend als gevolg van een incidentele stijging van het inkomen, bedoeld in het eerste lid, kan, in afwijking van het tweede lid, het recht op toeslag herleven.”

4.3.

Appellant betwist niet dat hij op 1 april 2016 geen recht op toeslag had, omdat het inkomen van zijn partner hoger was dan de volledige bruto‑toeslag. Het recht op toeslag kan op 1 augustus 2016, de datum dat de partner van appellant geen inkomen meer heeft, niet herleven, omdat er geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de AOW. De stelling van appellant dat zijn partner de WW‑uitkering zou hebben geweigerd als hij op de hoogte was gesteld van de consequenties voor het recht op toeslag, kan niet leiden tot een ander oordeel. In dit verband wordt opgemerkt dat de partner van appellant met ingang van 3 december 2013 in aanmerking is gebracht voor een WW‑uitkering, terwijl het recht op toeslag eerst met ingang van 27 augustus 2014 is vastgesteld. Pas met ingang van 1 januari 2015 is artikel 8 van de AOW gewijzigd. De Raad ziet om die reden geen direct verband tussen de onjuiste besluitvorming van de Svb en de keuze van de partner van appellant om haar WW‑uitkering al dan niet te weigeren.

4.4.

De Raad laat daarbij in het midden of, gezien artikel 2:4, derde en vijfde lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten een weigering van de WW‑uitkering tot een recht op toeslag had kunnen leiden.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2019

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) M.A.E. Lageweg

lh