Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1203

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
08-04-2019
Zaaknummer
17-2550 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:790, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering in verband met naderhand verkregen middelen uit de verkoop van een woning in Italië. Benadeling niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2550 PW

Datum uitspraak: 26 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 februari 2017, 16/4884 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J.M. Boot, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Boot. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Mol.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 29 mei 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd. Bij de aanvraag heeft appellante vermeld dat zij gedeeltelijk eigenaar is van een woning in Italië en dat er een juridische procedure loopt met betrekking tot de volledige eigendom van de woning. Appellante schatte de waarde van de woning op € 200.000,-. Bij besluit van 6 juli 2009 heeft het college aan appellante met ingang van 29 mei 2009 bijstand op grond van de WWB toegekend en daarbij het vermogen van appellante vastgesteld op € 4.553,72. Het college heeft voor appellante aan de bijstandsverlening de verplichting verbonden om bewijsstukken over onder meer de woning over te leggen. Voorts heeft het college in het besluit vermeld dat de bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB, nu artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Participatiewet (PW), zal worden teruggevorderd als blijkt dat appellante naderhand kan beschikken over in aanmerking te nemen middelen met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend.

1.2.

Op 4 juli 2011 heeft appellante het college schriftelijk verzocht om de bijstand met ingang van 15 juli 2011 te beëindigen. Daarbij heeft appellante vermeld dat zij wegens werk naar het buitenland vertrekt. Bij besluit van 19 juli 2011 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 15 juli 2011 ingetrokken.

1.3.

Appellante heeft zich op 22 oktober 2015 gemeld om bijstand aan te vragen op grond van de PW. Uit een in het kader van de aanvraag overgelegde koopovereenkomst van

24 juni 2011 blijkt dat de onder 1.1 genoemde woning voor € 240.000,- is verkocht. Appellante heeft voor het haar toekomende deel van de verkoopopbrengst, na aftrek van kosten, een bedrag van € 130.152,43 ontvangen. Dit is voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 18 januari 2016 de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 29 mei 2009 tot en met 4 juli 2011 tot een bedrag van € 37.115,13 bruto met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW van appellante terug te vorderen.

1.4.

Bij besluit van 28 juni 2016 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen het besluit van 18 januari 2016 gegrond verklaard voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft. Daarbij heeft het college de terugvordering in die zin gewijzigd dat de bijstand over de periode van 29 mei 2009 tot en met 14 juli 2011 wordt teruggevorderd tot een bedrag van € 30.368,16. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante middelen heeft ontvangen die betrekking hebben op een periode waarover bijstand is verleend en dat dit een grond voor terugvordering vormt. Het college heeft aanleiding gezien het bedrag van terugvordering over de jaren 2009 en 2010 niet langer bruto terug te vorderen, omdat het appellante niet te verwijten is dat zij de vordering over deze jaren niet voor het einde van het kalenderjaar heeft voldaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW bepaalt dat het college van de gemeente die bijstand heeft verleend de kosten van bijstand kan terugvorderen, voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 31 van de PW beschikt of kan beschikken. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen, is deze bepaling de meest geëigende terugvorderingsgrond in gevallen waarin bijstand is verleend ter overbrugging van een periode waarin aanspraken op bepaalde middelen aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet kan worden beschikt en de betrokkene nadien wel over die middelen kan beschikken

(zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC1835). Deze rechtspraak heeft zijn gelding onder de PW behouden.

4.2.

Niet in geschil is dat het college in beginsel bevoegd is de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 29 mei 2009 tot en met 14 juli 2011 op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW van appellante terug te vorderen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college in redelijkheid gebruik kon maken van deze bevoegdheid.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat het college in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik kon maken, omdat het college haar niet in het bezit heeft gesteld van het toekenningsbesluit van 6 juli 2009 waardoor zij niet nadrukkelijk op de hoogte is gesteld van de mogelijkheid dat de bijstand wordt teruggevorderd. Zou zij van de mogelijke terugvordering op de hoogte zijn geweest, dan had zij niet eerst ingeteerd op haar vermogen alvorens opnieuw bijstand aan te vragen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Of appellante op de hoogte is gebracht van de mogelijkheid van terugvordering kan daarbij in het midden blijven. Voor de bevoegdheid tot terugvordering met toepassing van artikel 58 tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW is niet vereist dat de betrokkene al bij de bijstandsverlening is geïnformeerd over deze mogelijke latere terugvordering. Geen regel van geschreven of ongeschreven recht verplicht het college daartoe (zie de uitspraak van 18 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY5325).

4.4.

Appellante voert verder aan dat het college in financiële zin niet is benadeeld door de gang van zaken. Appellante heeft, voordat zij een aanvraag om bijstand indiende, eerst ingeteerd op haar vermogen waardoor zij voor langere tijd in haar eigen levensonderhoud kon voorzien. Zou zij meteen na ontvangst van de verkoopopbrengst van de woning de verstrekte bijstand hebben terugbetaald, dan had zij zich eerder bij het college gemeld om opnieuw bijstand aan te vragen. Deze beroepsgrond slaagt niet, reeds omdat uit de beschikbare gegevens niet kan worden opgemaakt hoe lang appellante in de tijd tussen de intrekking van de bijstand per 15 juli 2011 en de nieuwe aanvraag om bijstand op 22 oktober 2015 heeft gewerkt en of zij, naast het vermogen uit de woning, nog andere inkomens- en/of vermogensbestanddelen tot haar beschikking heeft gekregen. Daardoor kan niet worden vastgesteld of appellante wel eerder recht op bijstand zou hebben gehad.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en P.W. van Straalen en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2019.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J. Tuit

md