Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1172

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
08-04-2019
Zaaknummer
17-2949 BBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Definitief vast te stellen bijstand op grond van het Bbz 2004. Vaststellen vermogen. Geen recht op bijstand om niet. Vermogen is boven de norm. De verliezen worden niet als schuld betrokken bij vaststelling vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2949 BBZ

Datum uitspraak: 26 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 1 maart 2017, 16/2706 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft S.J. Brinksma hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Appellanten hebben op verzoek van de Raad een nader standpunt ingenomen en nadere stukken ingediend. Het college heeft op verzoek van de Raad een reactie gestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door Brinksma, die tevens namens appellante is verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant exploiteerde van 27 juli 1998 tot 14 januari 2014 een landbouwmechanisatiebedrijf in de vorm van een eenmanszaak.

1.2.

Appellanten hebben, na melding op 21 januari 2013, op 6 februari 2013 op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) een aanvraag om bijstand ingediend ter voorziening in de kosten van levensonderhoud.

1.3.

Bij besluit van 26 april 2013 heeft het college appellanten met ingang van

21 januari 2013 tot uiterlijk 21 juli 2013 bijstand verleend voor de kosten van levensonderhoud naar de norm voor gehuwden. Appellant is hierbij aangemerkt als beëindigende zelfstandige en diende zijn bedrijf uiterlijk binnen twaalf maanden te beëindigen. De bijstand is voorlopig verleend in de vorm van een renteloze geldlening. Appellanten is in het besluit verder het volgende meegedeeld. De hoogte van de bijstand wordt definitief vastgesteld zodra het inkomen over het boekjaar waarin de bijstand is verleend bekend is. Bijstandverlening om niet is uitgesloten wanneer het vermogen van appellanten niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 3 van het Bbz 2004. De omvang van het vermogen is nog niet vastgesteld vanwege het ontbreken van recente bedrijfsgegevens. Hiermee voldoen appellanten vooralsnog niet aan de voorwaarden van artikel 3 van het Bbz 2004.

1.4.

Appellant heeft op 22 juli 2013 een aanvraag om verlenging van de bijstandsverlening ingediend in verband met de nog lopende onderhandelingen over de overname van zijn bedrijf. Bij besluit van 29 november 2013 heeft het college appellanten met ingang van

21 juli 2013 tot uiterlijk 21 januari 2014 bijstand verleend voor de kosten van levensonderhoud naar de norm voor gehuwden, onder dezelfde voorwaarden als vermeld onder 1.3.

1.5.

Op verzoek van het college heeft het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) op 22 september 2015 het vermogen van appellanten vastgesteld op grond van de in het Bbz 2004 geldende normen. Volgens deze vaststelling bedraagt het totaal vermogen van appellanten eind 2013 € 233.800,- en het eigen vermogen € 130.800,-. Het eigen vermogen komt overeen met 55,9% van het totaalvermogen en overtreft daarmee de norm voor bijstandverlening om niet als bedoeld in artikel 3 van het Bbz 2004.

1.6.

Bij besluit van 18 september 2015 (besluit 1) heeft het college appellanten meegedeeld dat het IMK in opdracht van het college het vermogen van appellanten per december 2013 heeft vastgesteld op € 130.800,- en dat het college deze berekening overneemt. Het eigen vermogen komt overeen met 55,9% van het totale vermogen en overtreft daarmee de norm voor bijstandverlening om niet als bedoeld in artikel 3 van het Bbz 2004. Bij separaat besluit van 18 september 2015 (besluit 2) heeft het college appellanten meegedeeld dat zij over de periode van 21 januari 2013 tot en met 13 januari 2014 geen recht op bijstand (om niet) hebben omdat hun eigen vermogen boven de wettelijk vastgestelde vermogensgrens ligt. Appellanten dienen de aan hen verstrekte renteloze lening van € 19.701,06 in zijn geheel terug te betalen.

1.7.

Bij besluit van 19 mei 2016 (bestreden besluit) heeft het college het tegen besluit 1 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, onder wijziging van de motivering. Het vermogen is in besluit 1 ten onrechte vastgesteld per 31 december 2013. Volgens vaste rechtspraak dient het vermogen te worden vastgesteld op de datum van het besluit op de aanvraag. Uit de jaarcijfers over 2013 blijkt dat het zakelijk eigen vermogen op 31 december 2012 € 90.488,- en op 31 december 2013 € 25.000,- bedroeg. Correctie van het in aanmerking te nemen vermogen naar de situatie per januari 2013 leidt vermoedelijk tot een hoger vermogen dan in besluit 1 is vastgesteld, wat niet in het voordeel van appellanten is. Indien rekening wordt gehouden met de door appellanten gestelde schulden en kosten van in totaal € 30.248,- leidt dit weliswaar tot een lager eigen vermogen, maar blijft dit eigen vermogen hoger dan 30% van het totaal vermogen.

1.8.

Bij separaat besluit van 19 mei 2016 heeft het college het tegen besluit 2 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil in hoger beroep ziet op de vaststelling van het vermogen in verband met de toepassing van artikel 3, eerste lid, van het Bbz 2004.

4.2.

In artikel 3, eerste lid, van het Bbz 2004, zoals dat luidde in 2013, is bepaald dat bijstand in de vorm van een bedrag om niet als bedoeld in de artikelen 12, 19, 21 en 22:

a. niet wordt verleend indien het eigen vermogen meer bedraagt dan € 182.000,-;

b. indien het eigen vermogen meer bedraagt dan € 43.308,-, doch minder dan € 182.000,-, slechts wordt verleend indien dit eigen vermogen niet meer bedraagt dan 30 procent van het totaal vermogen.

4.3.

Appellanten hebben de in 1.6 genoemde vermogensopstelling van het IMK per december 2013 betwist. Daarbij hebben zij een eigen vermogensopstelling overgelegd, waarin schulden en verliezen zijn opgenomen die volgens hen moeten worden betrokken bij de vermogensvaststelling.

4.4.

Het vermogen dient te worden vastgesteld per de datum waarop op de aanvraag om bijstand op grond van het Bbz 2004 wordt beslist, ook indien dit bij de toekenning van de bijstand is nagelaten. Zie de uitspraak van 6 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA0168.

4.5.

Gelet op 4.4 ligt de datum voor de vaststelling van het vermogen op 26 april 2013, de datum van het besluit op de aanvraag. Niet in geschil is dat wanneer wordt uitgegaan van de door appellanten aangeleverde jaarcijfers, het eigen vermogen op de peildatum veel hoger is dan op 31 december 2013, de datum waarvan het IMK bij de vermogensopstelling is uitgegaan. Maar ook als - in het voordeel van appellanten - wordt uitgegaan van deze laatste datum, komt het eigen vermogen met de door appellanten ingediende opstelling, niet onder de in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbz vermelde vermogensgrens voor bijstandverlening om niet uit. Doorslaggevend hiervoor is dat de door appellanten in de eigen opstelling als privéschuld opgevoerde post “nog te verrekenen verliezen” ter hoogte van € 185.352,- niet als schuld bij de vermogensopstelling kan worden betrokken. Daargelaten dat niet duidelijk is welk deel van dit bedrag op het boekjaar 2013 ziet, is het verlies uit onderneming geen bezitting of schuld als bedoeld in artikel 34 van de WWB in verbinding met artikel 1, aanhef en onder h en i van het Bbz 2004, waarin is vermeld wat onder totaal vermogen en eigen vermogen moet worden verstaan.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en P.W. van Straalen en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2019.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J. Tuit

md