Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1167

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
05-04-2019
Zaaknummer
17/3774 ZVW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:2355, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit 1 wordt onrechtmatig geacht. Ten onrechte oordeel rechtbank over rechtmatige besluitvorming. De onrechtmatigheid van bestreden besluit 1 dient aan CAK toegerekend te worden. Vervolgens moet worden beoordeeld of sprake is van schade die in een zodanig verband staat met bestreden besluit 1, dat zij CAK, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend. Met appellant van oordeel dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd voor zover daarbij het verzoek om schadevergoeding is afgewezen en het verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 732,74 wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3774 ZVW

Datum uitspraak: 27 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 maart 2017, 15/5478 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CAK

PROCESVERLOOP

Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze de bevoegdheden uit die voorheen door het College voor zorgverzekeringen (Cvz), dan wel het Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder CAK mede verstaan Cvz en Zorginstituut Nederland.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

CAK heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2019. Appellant is verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 4 augustus 2011 heeft CAK aan appellant bericht dat hij door zijn zorgverzekeraar Zilveren Kruis Achmea op 12 juli 2011 is aangemeld als wanbetaler in de zin van de Zorgverzekeringswet. Daarom is hij vanaf augustus 2011 bestuursrechtelijke premie verschuldigd.

1.2.

Bij besluit van 27 februari 2015 heeft CAK aan appellant te kennen gegeven dat zijn zorgverzekeraar hem per 1 maart 2015 heeft afgemeld als wanbetaler, dat hij per die datum niet langer bestuursrechtelijke premie verschuldigd is en dat er nog een eindafrekening volgt.

1.3.

Bij besluit van 27 april 2015 heeft CAK aan appellant een eindafrekening bestuursrechtelijke premie over de periode 1 augustus 2011 tot 1 maart 2015 gestuurd met de mededeling dat hij nog een bedrag van € 4.040,15 verschuldigd is, te betalen aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB).

1.4.

Appellant heeft tegen het besluit van 27 april 2015 bezwaar gemaakt. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de eindafrekening te hoog is vastgesteld omdat de door hem aan de deurwaarder betaalde bedragen daarin niet zijn opgenomen. Hij verzoekt een herberekening van de eindafrekening en een betalingsregeling.

1.5.

Bij besluit van 3 juli 2015 (bestreden besluit 1) heeft CAK het tegen het besluit van 27 april 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Volgens CAK was appellant € 6.072,41 aan bestuursrechtelijke premie verschuldigd en is door appellant in totaal een bedrag van € 1.119,09 voldaan. Dit leidt tot een restantbedrag waarvan na correctie tot de standaardpremie nog € 4.040,15 resteert.

1.6.

Nadat CJIB appellant heeft verzocht het bedrag van € 4.040,15 te betalen, heeft appellant op 30 juni 2015 aan CJIB bericht dat hij dit bedrag niet betaalt omdat CAK de eindafrekening te hoog heeft vastgesteld. Vervolgens heeft gerechtsdeurwaarder [naam] op 3 augustus 2015 een dwangbevel aan appellant betekend voor het bedrag van € 4.772,89. Dit bedrag betreft de eindafrekening van € 4.040,15, verhoogd met € 732,74 aan kosten.

1.7.

De rechtbank heeft op 20 oktober 2016 het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ter zitting behandeld. CAK heeft naar voren gebracht dat de eindafrekening onjuist is vastgesteld doordat de deurwaarder een door appellant betaald bedrag ten onrechte als deurwaarderskosten had aangemerkt. De eindafrekening wordt verlaagd tot een bedrag van € 3.222,24. De rechtbank heeft de behandeling geschorst met het oog op overleg tussen partijen en het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar.

1.8.

Vervolgens heeft CAK bij besluit op bezwaar van 1 december 2016 (bestreden besluit 2) bestreden besluit 1 ingetrokken en de eindafrekening vastgesteld op € 3.222,24.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geacht mede gericht te zijn tegen bestreden besluit 2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1

niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Verder heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en het verzoek van appellant om schadevergoeding afgewezen omdat niet gebleken is dat de besluitvorming van CAK onrechtmatig is. Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat CAK aan appellant het griffierecht vergoedt omdat hij al in bezwaar gronden had aangevoerd die zagen op zijn betalingen aan de deurwaarder.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen. Tijdens de behandeling van de zaak ter zitting van de Raad heeft appellant toegelicht dat zijn verzoek om schadevergoeding ziet op de door hem betaalde deurwaarderskosten van € 732,74, genoemd onder 1.6. Deze kosten dienen aan hem vergoed te worden omdat CAK na bestreden besluit 1 ten onrechte is overgegaan tot invordering van de gehele eindafrekening van € 4.040,15. Bij een juiste eindafrekening zou hij tijdig tot betaling zijn overgegaan.

3.2.

CAK heeft zich in verweer − voor zover van belang − op het standpunt gesteld dat ongeacht of de eindafrekening op een bedrag van € 4.040,15 of op een bedrag van € 3.222,24 is vastgesteld, CAK sowieso tot invordering was overgegaan. CAK heeft ter zitting van de Raad naar voren gebracht dat de deurwaarderskosten bij invordering van de eindafrekening van € 3.222,24 lager zouden zijn geweest en heeft zich bereid verklaard het verschil aan appellant te vergoeden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:446) moet de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of en in welke omvang de schade die een partij lijdt als gevolg van een onrechtmatig besluit van een bestuursorgaan voor vergoeding in aanmerking komt, zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij het burgerrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek, vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en dat vervolgens alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.

4.2.

CAK heeft erkend dat bestreden besluit 1 onjuist was en heeft dit besluit bij bestreden besluit 2 ingetrokken. Daarom moet bestreden besluit 1 onrechtmatig worden geacht. Hieruit volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van onrechtmatige besluitvorming. De onrechtmatigheid van bestreden besluit 1 dient aan CAK toegerekend te worden.

4.3.

Vervolgens moet worden beoordeeld of sprake is van schade die in een zodanig verband staat met bestreden besluit 1, dat zij CAK, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend.

4.4.

Met appellant is de Raad van oordeel dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord. De deurwaarderskosten van € 732,74 staan in direct verband met de invordering van het bedrag van het onrechtmatige besluit (bestreden besluit 1). Deze kosten zijn evident gemaakt ten behoeve van de invordering van de eerste als onrechtmatig aangemerkte eindafrekening. Dat ook bij de (in bestreden besluit 2 vastgestelde) tweede eindafrekening sprake zou zijn geweest van deurwaarderskosten acht de Raad niet aannemelijk. Appellant heeft CAK er immers al in bezwaar tegen de eerste eindafrekening op gewezen dat de door hem aan de deurwaarder betaalde bedragen niet op juiste wijze in de eindafrekening waren opgenomen en dat hij een betalingsregeling wenst voor het juiste bedrag. Voorts heeft hij kort na bestreden besluit 1 herhaald dat er sprake was van een onjuiste verrekening van door hem betaalde bedragen en heeft een correcte verrekening van de door appellant aan de deurwaarder betaalde bedragen er uiteindelijk toe geleid dat bestreden besluit 1 is ingetrokken. Verder is niet onaannemelijk dat appellant, zoals hij ook op de zitting van de Raad heeft verwoord, onmiddellijk overgegaan zou zijn tot betaling van het bedrag van de eindafrekening als die op een juist bedrag was vastgesteld. De Raad vindt een bevestiging daarvan in de omstandigheid dat appellant het bedrag van de eindafrekening zoals vastgesteld bij bestreden besluit 2 van 1 december 2016 binnen drie weken volledig heeft betaald.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het verzoek om schadevergoeding is afgewezen wordt vernietigd en dat het verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 732,74 wordt toegewezen.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het verzoek om schadevergoeding is

afgewezen;

- veroordeelt CAK tot vergoeding aan appellant van schade tot een bedrag van € 732,74;

- bepaalt dat CAK aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2019.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) C.I. Heijkoop

md