Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1164

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
04-04-2019
Zaaknummer
17/8253 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Studiefinanciering terecht herzien naar de norm die geldt door een thuiswonende studerende. Terugvordering. Boete. Niet woonachtig op brp-adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/8253 WSF

Datum uitspraak: 20 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

20 december 2017, 17/4670 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante 1] te [woonplaats] (appellante 1)

[appellante 2] te [woonplaats] (appellante 2)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellantes heeft mr. B. Arabaci, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2019. Appellantes hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. Arabaci. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante 1 stond vanaf 22 december 2016 in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven onder het adres [adres 1] (brp-adres). Appellante 2 stond vanaf 26 december 2016 in de brp ingeschreven onder datzelfde adres. Beiden hebben, voor zover hier van belang, vanaf 1 januari 2017 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 ontvangen, berekend naar de norm die geldt door een uitwonende studerende.

1.2.

In de periode 8 maart 2017 tot en met 22 maart 2017 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellantes. Van de bevindingen van het onderzoek zijn rapporten opgemaakt.

1.3.

Bij besluiten van 14 april 2017 heeft de minister op basis van de bevindingen van het onderzoek de aan appellantes toegekende studiefinanciering met ingang van 1 januari 2017 herzien, in die zin dat zij vanaf die datum als thuiswonende studerenden zijn aangemerkt. Daarbij is van elk in totaal een bedrag van € 624,06 teruggevorderd.

1.4.

Bij besluiten van 21 april 2017 heeft de minister aan appellantes beiden een bestuurlijke boete opgelegd van € 312,03.

1.5.

Bij besluit van 25 juli 2017 (bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren van appellantes tegen de onder 1.3 en 1.4 genoemde besluiten ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellantes tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Anders dan appellantes acht de rechtbank het rapport niet onjuist of onvolledig. De conclusie dat appellantes niet wonen op het brp-adres is niet alleen gebaseerd op de verklaring van appellante 2, maar ook op de bevindingen van de controleurs dat er op 14 maart 2017 bij aanbellen alleen een klusjesman reageerde en later die dag, alsook op 8 maart en 22 maart 2017, op aanbellen niet open werd gedaan. Voor de minister bestond niet de verplichting om nog een buurtonderzoek te verrichten. Evenmin bestond voor de minister de verplichting om op afspraak langs te gaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met het rapport niet alleen aannemelijk gemaakt, maar ook aangetoond dat appellantes op 22 maart 2017 niet woonden op het brp-adres. De rechtbank heeft overwogen dat uit het rapport volgt dat appellante 2 heeft verklaard dat ze de woning op het brp-adres niet kon tonen omdat ze geen sleutel had en dat zij en appellante 1 daar pas gaan wonen op het moment dat de woning klaar is. Tot dat moment blijven appellantes bij hun moeder slapen. Uit het rapport volgt ook dat appellantes op 22 maart 2017 beiden werden aangetroffen bij hun moeder aan [adres 2] . De rechtbank heeft de opgelegde boetes evenredig geacht.

3. Appellantes hebben in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de herzieningen en de boetes stand kunnen houden. Zij hebben zich daarbij op het standpunt gesteld dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Appellantes hebben in hoger beroep geen nieuwe gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot andere oordelen had moeten komen. Wat zij in hoger beroep hebben aangevoerd is een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden.

4.2.

De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de overwegingen die tot het oordeel in de aangevallen uitspraak hebben geleid.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het betoog in hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2019.

(getekend) J. Brand

(getekend) J.R. Trox

lh