Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1161

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
08-04-2019
Zaaknummer
17/6207 PW-PV
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:6050, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boete in verband met niet gemelde stortingen op rekening. Geen verminderde verwijtbaarheid. Evenredige boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6207 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 augustus 2017, 17/189 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 5 maart 2019

Zitting heeft: G.M.G. Hink als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: L. Hagendijk

Namens appellant is verschenen mr. drs. ir. G.A.S. Maduro BA, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Plaisier.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Het geschil tussen partijen ziet op de door het college aan appellant opgelegde boete van € 1.170,-, omdat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van stortingen en bijschrijvingen van derden op zijn bankrekening in de periode van maart 2014 tot en met maart 2015.

Vaststaat dat op de bankrekening van appellant bedragen zijn gestort en bijgeschreven. Appellant heeft geen melding gemaakt van deze bedragen. De beroepsgrond dat appellant de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat deze bedragen niet van hem maar van een kennis waren en hij niet over deze bedragen kon beschikken, slaagt niet. Appellant heeft met de handgeschreven verklaring van deze kennis niet aannemelijk gemaakt dat zijn beschikkingsmacht over het tegoed en de gelden op de op zijn naam staande bankrekening op enigerlei wijze is beperkt. Appellant had de stortingen en bijgeschreven bedragen moeten melden en had kunnen weten dat deze bedragen van invloed zijn op het recht op bijstand. Dit betekent dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Hiervan kan appellant een verwijt worden gemaakt.

Anders dan appellant betoogt, is geen sprake van verminderde verwijtbaarheid. Het college heeft bij het opleggen van de boete voldoende rekening gehouden met de financiële omstandigheden van appellant door de hoogte van de boete te bepalen op twaalf maal 10% van de toepasselijke bijstandsnorm. De opgelegde boete is evenredig.

Het hoger beroep slaagt niet. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) L. Hagendijk (getekend) G.M.G. Hink

md