Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1154

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
08-04-2019
Zaaknummer
17/1348 PW
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buiten behandeling gestelde aanvraag om bijstand. Informatie over koffiehuis niet aangeleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1348 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
23 december 2016, 16/5303 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 26 maart 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.G.M.C. Peters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2019. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kersteren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant was mede-eigenaar van koffiehuis [naam koffiehuis] , gevestigd te [gemeente] (koffiehuis). Dit koffiehuis is op last van de burgemeester van [gemeente] gesloten op 25 juni 2015.

1.2.

Op 18 februari 2016 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingediend op grond van de Participatiewet (PW).

1.3.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft een manager inkomen van de gemeente Amsterdam appellant bij brief van 15 maart 2016 verzocht uiterlijk 29 maart 2016 gegevens te verstrekken, waaronder bankafschriften van de zakelijke rekening over de periode van juni 2015 tot en met 15 maart 2016, de slotbalans van het koffiehuis, bewijs van verkoop of opslag van de inboedel en bewijs van beƫindiging van het huurcontract van het koffiehuis. Appellant is daarbij, voor zover van belang, aangeraden de informatie tijdig te verstrekken ter voorkoming van het niet in behandeling kunnen nemen van zijn aanvraag. Ook is appellant, voor zover van belang, erop gewezen dat hij in overleg meer tijd kan krijgen om de verzochte gegevens over te leggen.

1.4.

Bij besluit van 6 april 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 juli 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant buiten behandeling gesteld, omdat hij de gevraagde gegevens niet volledig heeft verstrekt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant niet binnen de bij brief van 15 maart 2016 gestelde termijn alle gevraagde informatie heeft verstrekt. Daarnaast is niet in geschil dat deze gegevens van belang zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand.

4.3.

De stelling van appellant dat het college hem ten onrechte geen handreiking voor uitstel of hulp heeft gegeven en hem vanwege zijn complexe situatie geen redelijke termijn voor aanvulling van de gevraagde gegevens heeft geboden, treft geen doel. Bij de brief van

15 maart 2016 is appellant erop gewezen dat hij verlenging van de termijn kan krijgen als aanlevering van de gevraagde gegevens op 29 maart 2016 hem niet zou lukken. Appellant heeft weliswaar gesteld dat hij in de periode 15 maart 2016 tot en met 29 maart 2016 telefonisch contact heeft opgenomen of heeft laten opnemen met het college om verlenging van de termijn te vragen, maar hij heeft dat niet aannemelijk gemaakt.

4.4.

De beroepsgrond dat appellant geen verwijt treft omdat zijn boekhouder alle financiƫle administratie bewaarde en appellant hem niet meer kon betalen en dat hij moeilijk kan lezen en schrijven, slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 9 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BG8006) ligt wat appellant heeft gesteld over de boekhouder in zijn risicosfeer. Ook de gevolgen van de gestelde taalachterstand heeft de rechtbank terecht voor rekening en risico van appellant gelaten. Zoals vaker overwogen (onder meer de uitspraak van 19 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:205) lag het op de weg van appellant om de hulp van derden in te roepen, indien hij door zijn beperkte kennis van de Nederlandse taal en regelgeving niet heeft begrepen dat en welke gegevens hij diende te verstrekken.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het college op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd was de aanvraag van appellant buiten behandeling te stellen. Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stelling van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2019.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) Y. Itkal

md