Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:114

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2019
Datum publicatie
17-01-2019
Zaaknummer
16/6935 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een uitkering op grond van hoofdstuk 1A van de Wajong 2015. Met de verwijzing naar het arbeidsdeskundige rapport van 12 september 2006 is afdoende gemotiveerd dat appellante op achttienjarige leeftijd in staat moet zijn geweest een taak in een arbeidsorganisatie uit te voeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6935 WAJONG

Datum uitspraak: 10 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

29 september 2016, 16/3364 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2018. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Riet.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [in] 1984, heeft met een op 13 januari 2015 door het Uwv ontvangen formulier een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van hoofdstuk 1A van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015). Daarbij is gemeld dat appellante psychische klachten heeft en is een rapport van een psychodiagnostisch onderzoek van 23 augustus 2011 van Parnassia overgelegd. Bij besluit van 22 april 2015 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellante niet aan de voorwaarden voldoet van hoofdstuk 1A van de Wajong 2015. Dit besluit is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. De conclusie uit deze onderzoeken luidt dat appellante arbeidsvermogen heeft.

1.2.

Bij besluit van 21 maart 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 22 april 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 maart 2016 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 21 maart 2016 ten grondslag. In deze rapporten is geconcludeerd dat er geen reden is af te wijken van de conclusie van de primaire beoordeling.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante in het verleden gewerkt heeft en na het bereiken van het einde van de wachttijd in verband met een ziekmelding per 12 augustus 2004 wegens astmatische klachten niet in aanmerking is gebracht voor een uitkering op grond van de Werk werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De verzekeringsartsen van het Uwv hebben bij huidig onderzoek vastgesteld dat er actueel sprake is van ernstige en complexe psychische problematiek, maar dat er geen medische informatie beschikbaar is die leidt tot de conclusie dat er op het achttiende jaar sprake was van ziekte of gebrek leidend tot een situatie zonder mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Daarbij is betrokken dat appellante toen ook niet in behandeling was. De verzekeringsartsen hebben geconcludeerd dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar huidige medische problemen ook rond haar zeventiende en achttiende verjaardag tot uiting zijn gekomen. De rechtbank heeft geoordeeld geen aanknopingspunten te hebben voor het oordeel dat dit standpunt onjuist is. Zij heeft verder overwogen dat de arbeidsdeskundigen hebben vastgesteld dat appellante in de periode rond haar zeventiende en achttiende verjaardag van 1 januari 2001 tot en met 11 juni 2002 als verkoopster gewerkt heeft, en ook in de periode daarna nog in verschillende dienstverbanden werkzaam is geweest, tot haar ziekmelding per 3 november 2004. Gelet op dit arbeidsverleden is appellante naar het oordeel van de rechtbank in staat geweest ten minste vier uur per dag en ten minste één uur aangesloten te werken en beschikte zij over basale werknemersvaardigheden. Haar stelling dat zij in de periode van 1 januari 2001 tot 3 november 2004 niet functioneerde in haar werk als gevolg van ziekte of gebrek is niet onderbouwd. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv met juistheid heeft gesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft en dat de aanvraag daarom terecht is afgewezen.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat zij niet over arbeidsvermogen beschikte. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij sinds haar negende psychische klachten heeft en daarom tot haar veertiende speciaal onderwijs heeft gevolgd. Appellante heeft verder gesteld dat zij niet in staat is gebleken tot werk in loondienst, in ieder geval niet voor tenminste vier uur per dag en één uur aangesloten. Zij heeft erop gewezen dat zij in de periode van 11 oktober 2008 tot en met 3 november 2014 acht werkgevers heeft gehad en heeft gesteld dat zij niet bestand was tegen de werkdruk in de betreffende dienstverbanden.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of appellante arbeidsvermogen had op 4 juli 2002, de dag dat zij achttien jaar is geworden.

4.2.

Voor het wettelijk kader en het kader dat het Uwv hanteert voor de beoordeling van de vraag of een betrokkene beschikt over mogelijkheden tot arbeidsparticipatie wordt verwezen naar rechtsoverweging 4.1 tot en met 4.3 van de aangevallen uitspraak en naar de uitspraak van de Raad van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018.

4.3.

De gronden waarop het hoger beroep berust zijn een herhaling van wat appellante in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de uitspraak voldoende gemotiveerd besproken. De overwegingen 6 en 7 van de aangevallen uitspraak worden onderschreven. Evenals bij de rechtbank heeft appellante ook in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die haar standpunt kan onderbouwen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar medische situatie onjuist heeft ingeschat. Aan de overwegingen van de rechtbank wordt toegevoegd dat de standpunten van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundigen mede inzichtelijk zijn gemotiveerd door de verwijzing naar het arbeidsdeskundige rapport van 12 september 2006 dat aan de toenmalige WIA-beoordeling ten grondslag lag. Met de verwijzing naar dat rapport is ook afdoende gemotiveerd dat appellante op achttienjarige leeftijd in staat moet zijn geweest een taak in een arbeidsorganisatie uit te voeren.

5. De overwegingen 4.1 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en D. Hardonk-Prins en

S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van Y. Azirar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2019.

(getekend) E.W. Akkerman

De griffier is verhinderd te ondertekenen

RB