Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1121

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
08-04-2019
Zaaknummer
17/7717 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet gemelde op geld waardeerbare activiteiten in verband met de tattoo shop. Niet gemelde, van derde verkregen financiële middelen. Recht is niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7717 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

26 oktober 2017, 17/1276 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren (college)

Datum uitspraak: 26 maart 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.M. Houben, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Houben. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N.W.M.J. Wijsma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 1 november 2006 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande. Met ingang van 27 november 2012 stond hij ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (thans: Basisregistratie Personen op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een interne melding van 11 juli 2016, inhoudende dat de vriendin van appellant (X) zwanger is en dat zij en appellant een gezamenlijke huishouding voeren, heeft het college een nader onderzoek ingesteld. In dat kader heeft een consulent van de gemeente [woonplaats]-Susteren onder meer dossieronderzoek en internetonderzoek gedaan. Daaruit is gebleken dat het telefoonnummer van X staat geregistreerd onder een Facebookaccount van een tattooshop genaamd “[naam tattooshop]” (tattooshop). Als adres van de tattooshop is vermeld [adres] in [woonplaats], zonder huisnummer. Het logo van de tattooshop vermeldt het openingsjaar 2013. Voorts zijn onder dit account foto’s beschikbaar van de tattooshop. Onder andere is te zien hoe een vrouwelijk persoon tattoos zet. Op 9 augustus 2016 hebben de consulent en een andere medewerker van de gemeente Echt-Susteren een huisbezoek verricht op het uitkeringsadres. Tijdens dit huisbezoek zijn bij de administratie twee aparte huurovereenkomsten aangetroffen, één op naam van appellant en één op naam van X, beide opgesteld op 5 oktober 2012 en getekend, maar met verschillende huurbedragen, te weten

€ 550,- voor appellant en € 250,- voor X. Op de bovenverdieping van de woning was een kamer ingericht als werkruimte voor het zetten van tattoos. Deze kamer werd herkend als de werkruimte op de Facebookfoto’s van de tattooshop. Op 9 augustus 2016 hebben de consulent en de andere medewerker een gesprek gevoerd met appellant en op 10 augustus 2016 met X. Op 10 augustus 2016 heeft de consulent informatie ingewonnen bij de verhuurder van de woning op het uitkeringsadres. Daaruit bleek dat op dat moment maandelijks een bedrag aan huur van € 830,- werd ontvangen en dat de huur via bankrekeningen van X werd overgemaakt. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 15 augustus 2016.

1.3.

Bij besluit van 16 augustus 2016 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 9 augustus 2016 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellant en X vanaf die datum een gezamenlijke huishouding voeren.

1.4.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college tevens aanleiding geweest aanvullend onderzoek te doen naar eventuele uitkeringsfraude over de voorbije jaren. Daarbij is aandacht besteed aan de betrokkenheid van appellant en X bij de tattooshop. In dat kader heeft appellant op verzoek van het college afschriften van zijn bankrekeningen overgelegd over de periode van 15 november 2015 tot en met 11 januari 2016 en van 18 maart 2016 tot en met (voor zover van belang) eind mei 2016. Op 31 augustus 2016 hebben medewerkers van de gemeente een gesprek gevoerd met appellant en X gezamenlijk. Van dit gesprek is een verslag opgemaakt dat appellant en X hebben ondertekend.

1.5.

Bij besluit van 12 september 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 maart 2017 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant ingetrokken over de periode van 27 november 2012 tot en met 31 mei 2016 en de over die periode gemaakte kosten van bijzondere en algemene bijstand van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 52.090,14. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant en X in deze periode activiteiten hebben verricht in de tattooshop die is gevestigd in de woning op het uitkeringsadres en dat die activiteiten zijn aan te merken als op geld waardeerbare werkzaamheden die van invloed zijn op de bijstand. Daarnaast heeft X appellant financieel ondersteund door onder andere de vaste lasten en een deel van de huur van de woning te voldoen. Door geen opgave te doen van de werkzaamheden in de tattooshop en van de financiële ondersteuning door X, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bepreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De periode in geding loopt in dit geval van 27 november 2012 tot en met 31 mei 2016.

4.2.

Tussen partijen is allereerst in geschil of appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden omdat hij, zonder het college hierover te informeren, in de te beoordelen periode werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de tattooshop en financieel is ondersteund door X.

4.3.1.

Appellant heeft aangevoerd dat hij en X geen tattooshop zijn gestart. Het tatoeëren betreft een uit de hand gelopen hobby van X. Haar activiteiten hebben zich beperkt tot het enkel zetten van tattoos bij familieleden en vrienden, waarvoor zij geen geld heeft gevraagd. De bijdrage van appellant aan deze activiteiten was zo gering dat niet gesproken kan worden van op geld waardeerbare activiteiten. Ter staving van dit betoog heeft appellant in hoger beroep in aanvulling op de in bezwaar overgelegde verklaringen zeven verklaringen overgelegd van personen (onder wie appellant) bij wie X een tattoo heeft gezet. Voorts heeft hij een aanvullende verklaring van X overgelegd, waarin zij onder meer stelt dat zij de eerste anderhalf jaar alleen op appellant heeft geoefend. Ter staving van de stelling dat het om zeer beperkte activiteiten ging heeft appellant vijf facturen van de aanschaf van tatoeagebenodigdheden overgelegd. Hieruit zou blijken dat in de periode van 2013 tot en met 2015 weinig tatoeagebenodigdheden zijn aangeschaft.

4.3.2.

Het betoog van appellant slaagt niet. Vaststaat dat appellant in zijn woning een kamer beschikbaar heeft gesteld die is ingericht als werkruimte om tattoos te zetten. Vaststaat dat dit de kamer is die te zien is op de onder 1.2 vermelde Facebookfoto’s van de tattooshop en dat onder het Facebookaccount het telefoonnummer van X is vermeld. Op grond van de verklaringen van appellant en X van 9 en 10 augustus 2016 staat vast dat X vanaf februari 2013 activiteiten verrichtte als tatoeëerder. Deze verklaringen worden bevestigd door de zowel in bezwaar als in hoger beroep overgelegde verklaringen van familie, vrienden en bekenden bij wie X een tattoo heeft gezet. Appellant en X hebben voorts verklaard dat appellant, al dan niet samen met X, tatoeagebenodigdheden online bestelde, de bestelde pakketjes in ontvangst nam, de inktpotjes bijvulde en de tatoeëer-machine zuiver maakte. Ook was hij regelmatig aanwezig bij tatoeëersessies. Deze activiteiten en het beschikbaar stellen van de werkruimte zijn, anders dan appellant stelt, aan te merken als op geld waardeerbare activiteiten. De ingerichte werkruimte in de woning van appellant en het Facebookaccount duiden erop dat voor de werkzaamheden een vergoeding werd of kon worden bedongen. Dat X aanvankelijk alleen op appellant oefende is, mede gelet op het op de Facebook-pagina vermelde openingsjaar, niet aannemelijk gemaakt. In dat verband wordt ook gewezen op de verklaring van appellant op 9 augustus 2016 dat mensen kunnen bellen of de facebooksite benaderen om een afspraak te maken. Appellant en X hebben geen administratie van het aantal verrichte activiteiten bijgehouden. Gelet hierop heeft het college met juistheid beslist dat de werkzaamheden op geld waardeerbaar waren. Dat het slechts om incidentele werkzaamheden (voor familie en vrienden) ging heeft appellant niet aannemelijk gemaakt.

4.3.3.

Het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat zijn activiteiten voor de tattooshop in zijn woning voor de verlening van de bijstand van belang konden zijn. Met dergelijke activiteiten wordt immers in het algemeen beoogd inkomsten te verwerven. Niet is gebleken dat hij het college daarvan op de hoogte heeft gesteld. Daarmee is gegeven dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.4.1.

Appellant heeft over de financiële ondersteuning door X aangevoerd dat hij het college altijd alle benodigde informatie over zijn situatie heeft verschaft.

4.4.2.

Ook dit betoog slaagt niet. Uit de onder 1.4 vermelde bankafschriften komt naar voren dat appellant maandelijks honderden euro’s aan X heeft overgemaakt. Voor de kosten van huur, gas, water en elektra zijn van zijn bankrekening geen bedragen afgeschreven. Uit de door de verhuurder gegeven informatie is gebleken dat de huur van rekeningen van X is overgemaakt. Voor deze gang van zaken heeft appellant de volgende uitleg gegeven. Vanwege zijn psychische en lichamelijke gezondheid regelt X zijn financiële zaken. Daarom maakt hij maandelijks een bedrag aan haar over, waarvan zij de huur en vaste lasten betaalt. Tijdens het gesprek van 31 augustus 2016 heeft appellant op de vraag hoe het mogelijk is dat hij een huur van € 561,- (het huurbedrag minus de huurtoeslag) kan betalen van een totale uitkering van € 797,- geantwoord dat hij niet uitkomt met zijn uitkering, maar dat X bijlegt wat hij tekort komt. X heeft dit bevestigd en verklaard dat zij appellant financieel helpt als hij niet met zijn betalingen uitkomt. Over het bedrag dat zij per maand bij de uitkering van appellant legt, heeft zij desgevraagd geen schatting kunnen maken omdat dat elke maand anders is.

4.4.3.

Appellant heeft ter zitting betoogd dat de door het college opgevraagde gegevens slechts betrekking hebben op de periode van december 2015 tot en met juli 2016. Over de periode 2012 tot en met 2015 heeft het college geen gegevens opgevraagd. Volgens appellant had dat wel in de rede gelegen nu het in dit geval een belastend besluit betreft en het niet duidelijk is of in die periode voldoende feitelijke grondslag bestond voor de conclusie dat hij financieel werd ondersteund door X. Dit betoog slaagt niet. Op grond van de in 1.4 vermelde bankafschriften in samenhang met de in 1.2 vermelde huurovereenkomsten en de verklaring van X dat zij appellant financieel heeft ondersteund vanaf het moment dat hij stond ingeschreven op het uitkeringsadres, heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellant vanaf 27 november 2012 financieel werd ondersteund. Het is aan appellant om met verifieerbare gegevens, bijvoorbeeld door overlegging van zijn bankafschriften over de periode van 27 november 2012 tot december 2015 aannemelijk te maken dat de conclusie van het college niet juist was. Appellant heeft dat niet gedaan.

4.4.4.

Uit 4.4.2 en 4.4.3 volgt dat appellant onvoldoende inzicht heeft verschaft in de omvang van de door X verstrekte financiële middelen. Ook hierdoor heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.5.

De ter zitting aangevoerde beroepsgrond dat de ‘uitwijkjurisprudentie’ van de Raad in dit geval van toepassing is, slaagt niet. Volgens deze jurisprudentie (uitspraak van 13 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4847) is het in een geval waarin het college twijfels heeft over de woonsituatie, maar op basis van de beschikbare gegevens niet kan vaststellen dat sprake is van een gezamenlijke huishouding, niet aanvaardbaar dat het college ‘uitwijkt’ naar de grond, dat als gevolg van het niet of onvoldoende verstrekken van inlichtingen over de woon- en leefsituatie, het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Die situatie doet zich hier niet voor. Het onderzoek is wel gestart naar aanleiding van een interne melding dat appellant en X zouden samenwonen, maar het college heeft aan de besluitvorming over de in geding zijnde periode bevindingen over de op geld waardeerbare activiteiten en financiële ondersteuning ten grondslag gelegd en niet onduidelijkheid over de woon- en leefsituatie.

4.6.1.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel ten aanzien van de door hem verrichte werkzaamheden als ten aanzien van de financiële ondersteuning van X het recht op bijstand kon worden vastgesteld.

4.6.2.

Ook dit betoog slaagt niet. Nu appellant noch X een administratie heeft bijgehouden van de omvang van de werkzaamheden voor de tattooshop, valt niet uit te sluiten dat er meer (al dan niet betalende) klanten zijn geweest dan de mensen van wie appellant in hoger beroep een verklaring heeft overgelegd en dat er meer tatoeagebenodigdheden zijn aangeschaft dan uit de in hoger beroep overgelegde bonnen blijkt. Uit 4.4.2 en 4.4.3 volgt dat het college zich ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting over de financiële ondersteuning het recht op bijstand niet is vast te stellen.

4.7.

De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum als voorzitter en M. Hillen en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2019.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) L. Hagendijk

md