Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1110

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
02-04-2019
Zaaknummer
17-6472 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Stortingen en bijschrijvingen. Recht niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6472 PW

Datum uitspraak: 12 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

29 augustus 2017, 16/4335 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.A. de Boer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 29 januari 2019. Partijen, waarvan het college met bericht, zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 14 oktober 2009 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

In het kader van een periodiek heronderzoek heeft een consulent van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Smallingerland (consulent) onder meer bankafschriften over de periode 17 november 2014 tot en met 23 februari 2015 opgevraagd bij appellant. Op 24 februari 2015 heeft appellant de gevraagde bankafschriften overgelegd. De consulent heeft daaruit opgemaakt dat appellant inkomen heeft uit gokken. Vervolgens is appellant herhaaldelijk gevraagd om al zijn bankafschriften vanaf 1 mei 2012 te verstrekken. Appellant heeft aan die verzoeken geen gehoor gegeven. Daarop heeft het college bij besluit van 5 augustus 2015 het recht op bijstand per 17 juli 2015 opgeschort.

1.3.

Omdat appellant zijn rechtmatigheidsformulier over de maand augustus 2015 niet had ingeleverd, heeft het college bij besluit van 26 oktober 2015 (besluit 1) de bijstand met ingang van 1 augustus 2015 ingetrokken. Het college heeft voorts in besluit 1 te kennen gegeven dat nog een onderzoek loopt naar de inkomsten van appellant over de periode van 1 mei 2012 tot 1 augustus 2015 en dat het college nog niet beschikt over alle informatie om de rechtmatigheid van de over die periode verleende bijstand te beoordelen. Om die reden verzoekt het college appellant bankafschriften van alle rekeningen over de periode van

1 mei 2012 tot 1 augustus 2015 in te leveren.

1.4.

Bij besluit van 16 november 2015 (besluit 2) heeft het college de bijstand met ingang van 1 mei 2012 ingetrokken en de over de periode van 1 mei 2012 tot en met 16 juli 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 46.116,53 van appellant teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de bij besluit 1 gevraagde bankafschriften niet heeft ingeleverd als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.5.

Bij besluit van 20 september 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding en het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard. Aan de ongegrondverklaring heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Weliswaar heeft appellant in bezwaar alsnog de bankafschriften over de periode van 1 mei 2012 tot 1 augustus 2015 overgelegd, maar daarop zijn over de hele periode stortingen en bijschrijvingen te zien. Appellant heeft onvoldoende duidelijkheid gegeven over de herkomst daarvan, meer in het bijzonder over de bij- en afschrijvingen die betrekking hebben op zijn [naam account].

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, daartoe het volgende overwogen, waarbij voor eiser appellant en voor verweerder het college moet worden gelezen.

“3.4. Uit de door verweerder opgevraagde bankafschriften blijkt dat tijdens de periode in geding diverse stortingen/bijschrijvingen hebben plaatsgevonden op de bankrekening van eiser en dat eiser daarvan geen melding heeft gemaakt aan verweerder. Het gaat hier onmiskenbaar om gegevens die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Dit betekent dat eiser de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Pw op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

(…)

3.6.

Eiser heeft de onduidelijkheid over de kasstortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening niet weggenomen en daarmee niet aannemelijk gemaakt dat hij gedurende de periode in geding (aanvullend) recht heeft op bijstand. Zijn verklaring dat de gelden van de stortingen restanten zijn van goksites waarop hij via [naam B.V.] uit eigen middelen geld heeft gestort heeft eiser niet met bewijsstukken onderbouwd. Dat de “tussenpersoon” [naam B.V.] is opgeheven en dat daarvan geen informatie kan worden verkregen komt voor rekening van eiser, op wie bewijslast en –risico rusten. (…)

3.7.

Uit 3.6 volgt dat de kasstortingen en bijschrijvingen als oncontroleerbare inkomsten moeten worden aangemerkt en dat eiser onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over zijn financiële situatie. Dit betekent dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld en dat verweerder op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw gehouden was om de bijstand over de periode in geding in te trekken.

3.8.

Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de terugvordering aangevoerd, zodat deze geen (…) bespreking behoeft.”

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank daarbij de ongegrondverklaring van zijn bezwaar tegen besluit 2 heeft onderschreven. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat hij zich tot het uiterste heeft ingespannen om de verzochte gegevens aan te leveren, maar dat hij daarbij psychische blokkades heeft en ondervindt. De gemeente zou hem op dit punt (beter) hebben moeten begeleiden. Afgesproken was dat de gemeente hem onder de arm zou nemen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellanten in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de in beroep aangevoerde gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig zou zijn. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel berust. Hij voegt daaraan toe dat de in artikel 17 van de PW neergelegde verplichting een objectief geformuleerde verplichting is, waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter, en E.C.R. Schut en

E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2019.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.M. Pasmans

ew