Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1091

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2019
Datum publicatie
01-04-2019
Zaaknummer
18/3571 WUBO-V
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 29 maart 2019

18/3571 WUBO-V, 18/3573 WUV-V, 18/3574 AOR-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen:

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht van

20 september 2018 heeft de Raad de beroepen van appellante tegen de besluiten van verweerder van 21 februari 2018 niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante heeft verzet gedaan.

Het verzet is behandeld ter zitting van 15 februari 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam echtgenoot appellante]. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 20 september 2018 berust op de overwegingen dat de beroepschriften niet tijdig zijn ingediend en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.

In verzet heeft appellante te kennen gegeven – voor zover van belang – dat er niet tijdig beroep is ingesteld omdat appellante pas laat op de hoogte was dat zij aanvragen kon doen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO), Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV) en de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Door de nasleep van de verhuizing naar [woonplaats] was appellante niet in staat om eerder beroep in te stellen.

Ter zitting heeft de echtgenoot van appellante toegelicht dat de verhuizing naar Sliedrecht en de aanvragen voor de WUBO, WUV en AOR in dezelfde periode speelden. Appellante was erg vermoeid door de verhuizing en alles eromheen dat zij niet eerder in staat was beroep in te stellen.

De Raad is van oordeel dat appellante in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Appellante had een derde kunnen inschakelen om haar belangen te behartigen. De ter zitting gedane mededeling dat de echtgenoot van appellante ook niet in staat is geweest om in die periode de belangen van appellante te behartigen is niet met stukken onderbouwd.

Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2019.

(getekend) H.C.P. Venema

(getekend) M.A.A. Traousis

VC