Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1087

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
02-04-2019
Zaaknummer
15/3009 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Beschikking over grote bedragen contant geld. Onvoldoende grondslag voor de gehele periode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 3009 WWB

Datum uitspraak: 12 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2015, 13/5486 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.J.E. Loontjes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Mr. V.C. van der Velde heeft zich als opvolgend advocaat van appellant gesteld en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn broer [naam broer appellant] en mr. Van der Velde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.W.H. Hulsen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving van 1 augustus 1994 tot en met 31 december 2005 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand. De bijstand is op verzoek van appellant beëindigd wegens het starten van een eigen bedrijf.

1.2.

Medio 2009 zijn zowel bij de Belastingdienst als bij de politie signalen binnengekomen over de familie [naam familie] , wonende op en in de omgeving van [het adres 1] te [woonplaats] . Appellant maakt deel uit van deze familie. De signalen hadden betrekking op witwassen van geld alsmede op ten onrechte genoten/ontvangen uitkeringen. Naar aanleiding van deze signalen is in december 2010 eerst door de Belastingdienst en later door de politie een onderzoek gestart. Tevens hebben twee sociaal rechercheurs in de regio ’s-Hertogenbosch een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Daarbij is gebruik gemaakt van gegevens van de Belastingdienst en de politie. De sociaal rechercheurs hebben de resultaten van hun onderzoek neergelegd in een rapport van 22 januari 2013. Hieruit blijkt onder meer het volgende.

1.2.1.

De dochter van appellant, [M.] (M), geboren [in] 1976, heeft blijkens een op 20 juli 1995 gepasseerde akte in 1995 een perceel bouwgrond gekocht aan [het adres 2] te [woonplaats] ( [het adres 2] ). De koopsom bedroeg fl. 227.000,- (omgerekend ca. € 103.008,-) en is met contant geld betaald. In 1997/1998 is op dit perceel een woning gerealiseerd. De kosten hiervan bedroegen circa fl. 338.800,- (omgerekend circa

€ 154.000,-). De bouw van de woning is ook met contant geld betaald. Appellant heeft in de periode van 1997 tot en met 2001 meerdere vergunningen aangevraagd voor de bouw dan wel de verbouwing van de woning. Op de aanvraagformulieren heeft appellant telkens vermeld dat hij de eigenaar is van de te bouwen/verbouwen woning.

1.2.2.

Appellant heeft op 11 september 2002 een auto gekocht voor een bedrag van € 23.500,-. Op 21 november 2005 heeft appellant met contant geld een auto gekocht voor een bedrag van € 21.500,-.

1.3.

De bevindingen uit het onderzoek vormden voor het college aanleiding om bij besluit van 6 maart 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 oktober 2013 (bestreden besluit), de bijstand in te trekken over de periode van 1 augustus 1994 tot en met 31 december 2005 en de over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 2005 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 100.989,60 van appellant terug te vorderen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in de periode van 1 augustus 1994 tot en met 31 december 2005 de beschikking heeft gehad over een grote hoeveelheid middelen, waarvan hij geen mededeling heeft gedaan aan het college. Als gevolg daarvan kan het college het recht op bijstand niet vaststellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe – voor zover hier van belang en samengevat weergegeven – onder meer het volgende overwogen.

2.1.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de aanschaf van de auto’s in 2002 en 2005. De auto’s stonden op naam van appellant, wat de veronderstelling rechtvaardigt dat ze bestanddelen vormden van het vermogen waarover appellant kon beschikken. Appellant is er niet in geslaagd aan te tonen dat dat niet zo is en dat hij bij de aankoop slechts een bemiddelende rol speelde voor een derde. Het vermogen lag gelet op de waarde van de auto’s vanaf 11 september 2002 boven de voor appellant geldende vermogensgrens. Appellant had daarom over deze periode geen recht op bijstand.

2.2.

Het college heeft ook aannemelijk gemaakt dat appellant in de periode voorafgaand aan de levering van het perceel grond aan [het adres 2] en gedurende de bouw van de woning op dat perceel feitelijk de beschikking heeft gehad over grote hoeveelheden contant geld waarmee hij de aankoop van het perceel, de bouw en de verbouwingen van de woning op dat perceel heeft betaald. Het feit dat niet appellant maar M juridisch eigenaar was van het perceel en de woning maakt dit niet anders. Uit de verklaringen van appellant, M en een zoon van appellant blijkt dat appellant de persoon was die voor zijn kinderen bepaalde op wiens naam een vermogensbestanddeel werd gezet. Het aankoopbedrag voor het perceel grond aan [het adres 2] en de kosten voor de bouw en de verbouwing van de woning op dat perceel zijn contant betaald. Dit rechtvaardigt in samenhang met de genoemde verklaringen het vermoeden dat appellant over de gelden kon beschikken. Het college heeft appellant daarom terecht tegengeworpen dat hij met betrekking tot het ter beschikking krijgen van deze contante gelden de inlichtingenverplichting heeft geschonden. De herkomst van deze contante gelden is onverklaard gebleven. Appellant heeft gesteld dat het geld beschikbaar is gekomen op grond van leenovereenkomsten met leden van de [gemeenschap] uit vooral Zweden bij wie het geld is ingezameld. Leden van die gemeenschap zouden het geld rechtstreeks aan de notaris en de aannemer hebben betaald. Appellant heeft deze stelling echter niet voldoende onderbouwd met de 47 overgelegde kwitanties van een notariskantoor uit 1995 en een aannemersbedrijf uit 1998. Hierbij is van belang dat de totale kosten voor de aankoop van het perceel en de bouw en verbouwingen van de woning al € 86.525,46 hoger waren dan het totaalbedrag van de overgelegde kwitanties. Bovendien is niet geloofwaardig dat de kwitanties echt zijn. Uit die kwitanties zou moeten volgen dat onderscheidenlijk 21 en 26 personen met de Zweedse nationaliteit zich op verschillende tijdstippen in 1995 en 1998 naar Nederland hebben begeven om door hen toegezegde bedragen persoonlijk aan de notaris of de aannemer te overhandigen. De notaris heeft verklaard dat de kwitanties met het stempel van zijn kantoor vals zijn en twee toenmalige medewerkers van zijn kantoor hebben verklaard dat de door appellant geschetste gang van zaken hoogst ongebruikelijk was. Door het ontbreken van objectieve en verifieerbare gegevens over de herkomst van die contante bedragen heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij in die periode recht had op bijstand.

2.3.

Het college heeft geen feiten of omstandigheden genoemd die onderbouwen dat appellant in de jaren 1999 tot en met 2001 de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Dit maakt echter niet dat het bestreden besluit voor wat betreft deze periode geen stand kan houden. Omdat een plausibele verklaring over de herkomst van de contante bedragen in de periode 1995-1998 en 2002-2005 ontbreekt, is de conclusie gewettigd dat ook in de daartussen gelegen periode het recht op bijstand niet valt vast te stellen. Zonder sluitende verklaring valt immers niet in te zien dat, en waarom een geldstroom van een dergelijke omvang in de tussenliggende periode plotseling zou zijn opgedroogd.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft ter zitting uitstel van de behandeling verzocht om hem in de gelegenheid te stellen nadere gronden en stukken in te dienen. De Raad heeft dit verzoek ter zitting afgewezen en ziet geen aanleiding het onderzoek te heropenen. Daartoe wordt overwogen dat appellant bij het in mei 2015 ingediende hoger beroepschrift al heeft aangekondigd nadere gronden en stukken te zullen indienen. Hij heeft daartoe voldoende gelegenheid gehad.

4.2.

De periode in geding loopt van 1 augustus 1994 tot en met 31 december 2005. Zoals weergegeven onder 2.1 tot en met 2.3 heeft de rechtbank onderscheid gemaakt tussen de periode van 11 september 2002 tot en met 2005, de periode van 1 augustus 1994 tot en met 1998 en de tussenliggende periode.

4.3.

Appellant heeft zich in de eerste plaats gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank over de periode van 1 augustus 1994 tot en met 1998, zoals hierboven samengevat weergegeven onder 2.2. Volgens appellant heeft hij nooit kunnen beschikken over de middelen voor de koop van het perceel en de bouw en verbouwingen van de woning op het perceel.

4.3.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft geen nadere stukken overgelegd die de individuele leningen en inzamelingen uit hoofde van geldlening onderbouwen, laat staan dat hij heeft onderbouwd dat de contante bedragen waarmee de aankoop van het perceel en de bouw van de woning zijn betaald door derden rechtstreeks aan de notaris en aannemer zijn betaald. Dit staat bovendien haaks op zijn eigen verklaring. Appellant heeft in het verhoor van de sociale recherche verklaard dat hij zelf in 1995 een bedrag van ongeveer fl. 550.000,- heeft gehad en daarvan het huis aan [het adres 2] heeft gekocht. Bovendien heeft appellant zelf op 6 juni 1997 een bedrag van fl. 4.700,- aan de architect betaald. Dat appellant de beschikking over de gelden heeft gehad, vindt bovendien steun in de verklaringen van de kinderen, de aannemer en die van de architect. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellant in de periode tot en met 1998 grote hoeveelheden contant geld ter beschikking heeft gehad waarmee hij het perceel en de bouw van de woning en de verbouwingen heeft betaald, dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden door daarvan geen melding te maken en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over deze periode niet kan worden vastgesteld.

4.4.

Appellant heeft zich ook gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank over de periode van 11 september 2002 tot en met 31 december 2005, zoals samengevat weergegeven onder 2.1. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat de auto die hij in 2002 heeft gekocht niet op zijn naam is gesteld. Hij heeft bij de koop in 2002 slechts bemiddeld voor een derde, zodat deze auto niet tot zijn vermogen kan worden gerekend.

4.4.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Over de tenaamstelling van deze auto bevinden zich bij de gedingstukken geen stukken die de stelling van appellant onderbouwen. Vaststaat wel dat appellant partij was bij de koopovereenkomst in 2002 en de koopsom heeft betaald. Hiermee is aannemelijk dat de auto een bestanddeel vormde van het vermogen van appellant. Het is gelet hierop aan appellant om het tegendeel aannemelijk te maken. Appellant is hierin niet geslaagd. Hij heeft zijn stelling dat hij bij de aanschaf van de auto’s slechts als bemiddelaar voor een derde handelde, niet met objectieve gegevens onderbouwd.

4.5.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voldoende grondslag bestaat voor de intrekking en terugvordering over de tussenliggende periode. Ten onrechte heeft de rechtbank over deze periode de bewijslast omgekeerd.

4.5.1.

Deze beroepsgrond slaagt. Tussen partijen is niet in geschil dat in de gedingstukken geen concrete feiten en omstandigheden zijn te duiden, die er op wijzen dat appellant ook in de periode van 1999 tot het moment van de aanschaf van de auto op 11 september 2002 over bij het college niet bekende middelen kon beschikken. De enkele overweging dat niet valt in te zien dat en waarom geldstromen die beschikbaar waren in eerdere en later periodes in een tussenliggende periode plotseling zouden zijn opgedroogd, is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat het recht op bijstand in die periode niet kan worden vastgesteld. Met dit vermoeden heeft het college niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat appellant ook in de periode van 1999 tot de aanschaf van de auto in 2002 kon beschikken over bij het college niet bekende middelen. Omdat het moment van de aanschaf van de auto

11 september 2002 was, loopt deze periode van 1 januari 1999 tot en met 10 september 2002.

Conclusie

4.6.

Gelet op 4.4 en 4.5 berusten de intrekking en terugvordering van de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 1999 tot en met 10 september 2002 op onvoldoende feitelijke grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep treft in zoverre doel. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen, voor zover het de intrekking van de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 1999 tot en met

10 september 2002 betreft. In aanmerking genomen dat geen grondslag bestaat voor de terugvordering van de gemaakte kosten over deze periode en dat een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, zal het bestreden besluit tevens worden vernietigd, voor zover het de terugvordering betreft. Tevens bestaat aanleiding het besluit van

6 maart 2013 te herroepen voor zover het de intrekking van de bijstand van appellant over deze periode betreft, aangezien aan dit besluit hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit en het niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld.

4.7.

Het college zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 1998 en over de periode van 11 september 2002 tot en met 31 december 2005. Nu het hier gaat om een financiële uitwerking die de Raad zelf niet kan maken, zal het college worden opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 maart 2013 inzake de terugvordering.

4.8.

Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in bezwaar, € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, en € 3,83 aan reiskosten in beroep, in totaal dus € 3.075,83.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 oktober 2013 voor zover het

betreft de intrekking over de periode van 1 januari 1999 tot en met 10 september 2002 en de

terugvordering;

- herroept het besluit van 6 maart 2013 voor zover het de intrekking over de periode van

1 januari 1999 tot en met 10 september 2002 betreft en bepaalt dat deze uitspraak in de

plaats treedt van het in zoverre vernietigde gedeelte van het besluit van 22 oktober 2013;

- draagt het college op over de terugvordering een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen

met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat tegen dat besluit slechts beroep bij de Raad kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.075,83;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum als voorzitter en P.W. van Straalen en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2019.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) S.A. de Graaff

md