Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1083

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
01-04-2019
Zaaknummer
16/7948 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht oordeel rechtbank dat medische onderzoek Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. Verzekeringsarts bezwaar en beroep had geen argumenten om appellant meer beperkt te achten. Van schending van equality of arms geen sprake, zodat hierin geen aanleiding ligt tot het benoemen deskundige. Rechtbank gevolgd in oordeel dat er geen aanleiding is voor oordeel dat beperkingen van appellant niet juist zijn vastgesteld in FML van 16 september 2015. Geen grond voor twijfel juistheid medische beoordeling. Benoeming onafhankelijke deskundige afgewezen. Geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7948 WIA

Datum uitspraak: 13 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 13 december 2016, 16/1843 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.P.W.A. Bink, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Appellant heeft op verzoek van de Raad een nadere onderbouwing gegeven van zijn verzoek om benoeming van een deskundige.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2018. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als glaszetter voor 38 uur per week. Op 6 september 2010 is appellant uitgevallen met enkelklachten naar aanleiding van een bedrijfsongeval in 2007. Daarna heeft hij ook rugklachten gekregen. Op 16 september 2011 is appellant geopereerd aan zijn linkerenkel. Vanaf 3 september 2012 ontving appellant een loongerelateerde

WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op 35 tot 80% (61,9%). Met ingang van 3 oktober 2014 ontving appellant een vervolguitkering, berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 80 % (62,4%).

1.2.

Bij een herbeoordeling op verzoek van de werkgever is na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 12 oktober 2015 vastgesteld op 45,12%. Bij besluit van

16 oktober 2015 heeft het Uwv appellant met ingang van 1 januari 2016 in aanmerking gebracht voor een vervolguitkering, berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 21 maart 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 oktober 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de rapporten van de verzekeringsartsen niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en evenmin dat deze inconsistenties bevatten dan wel niet concludent zijn. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant ter onderbouwing van zijn stelling, dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsartsen is aangenomen, geen nadere medische gegevens heeft overgelegd. Nu appellant zijn stelling niet met objectieve, medische gegevens heeft onderbouwd, wordt, zonder aan zijn subjectieve klachtenbeleving afbreuk te willen doen, geen aanleiding gezien om de door het Uwv vastgestelde beperkingen als onjuist aan te merken. Hierin ligt besloten dat evenmin aanleiding wordt gezien gevolg te geven aan het verzoek van appellants gemachtigde ter zitting om een onafhankelijke deskundige in te schakelen voor het verrichten van nader onderzoek en het uitbrengen van advies aan de rechtbank. De omstandigheid dat, zoals ter zitting gebleken is, appellant inmiddels geopereerd is aan zijn hand en dat een vinger geamputeerd is, doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat ter beoordeling in beroep alleen het bestreden besluit voorligt, dat betrekking heeft op appellants mate van arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2016. Indien appellant van mening is dat zijn arbeidsongeschiktheid in de loop van 2016 is toegenomen, kan hij hiervan melding maken bij het Uwv. De rechtbank heeft verder overwogen dat appellant op zichzelf niet betwist dat hij, uitgaande van de voor hem vastgestelde belastbaarheid, geschikt is te achten voor de door de arbeidsdeskundigen geduide functies. Appellant heeft geen gronden aangevoerd die gericht zijn tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat het bestreden besluit berust op een onjuiste medische grondslag. Op geen enkele wijze is volgens hem rekening gehouden met zijn pijnklachten. Hij heeft aangevoerd financieel niet in staat te zijn om nadere medische gegevens over te leggen dan wel zelf onderzoek te laten uitvoeren door een onafhankelijke deskundige. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geen onafhankelijke deskundige benoemd. Aldus is sprake van schending van het beginsel van equality of arms. In dit verband heeft appellant verwezen naar het arrest Korošec van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212).

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en heeft een besluit van 9 februari 2017 ingediend waarbij het Uwv appellant met ingang van 15 september 2016 in aanmerking heeft gebracht voor een IVA-uitkering in verband met toegenomen beperkingen na een amputatie van de rechter middelvinger.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijke kader wordt verwezen naar overweging 13 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Bij appellant zijn door de verzekeringsartsen van het Uwv bij de in geding zijnde beoordeling niet minder beperkingen vastgesteld dan daarvoor. De Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 april 2014, die ten grondslag lag aan de vervolguitkering per 3 oktober 2014, is op 16 september 2015 ongewijzigd overgenomen. Dat het arbeidsongeschiktheidspercentage lager is vastgesteld, is met name het gevolg van door de arbeidsdeskundige geselecteerde voorbeeldfuncties met een andere urenomvang in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem, waardoor sprake is van een andere reductiefactor. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn klachten zijn toegenomen na

1 januari 2016. Het Uwv heeft appellant in 2017 herbeoordeeld en hem naar aanleiding van de resultaten daarvan met ingang van 15 september 2016 in aanmerking gebracht voor een

IVA-uitkering en volledig en duurzaam arbeidsongeschikt geacht. De vraag die thans voorligt is of de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 januari 2016 juist is vastgesteld. In dat kader dient te worden beoordeeld of de beperkingen van appellant per die datum juist zijn vastgesteld.

4.3.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) heeft de Raad de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Het beroep van appellant op het arrest Korošec is aanleiding te oordelen over de in die uitspraak onderscheiden stappen, namelijk allereerst de beoordeling of sprake is geweest van zorgvuldige besluitvorming, vervolgens of sprake is geweest van equality of arms tussen partijen, waarna, bij een bevestigend oordeel op die punten, als derde stap een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit volgt.

Zorgvuldige besluitvorming

4.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medische onderzoek van de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. Ter vaststelling van zijn beperkingen is appellant, ter voorbereiding van een besluit, op het spreekuur bij een verzekeringsarts zowel lichamelijk als psychisch onderzocht. Daarnaast blijkt uit het medisch onderzoeksverslag van 16 september 2015 van de verzekeringsarts dat hij alle zich in het dossier bevindende verzekeringsgeneeskundige rapporten bij zijn beoordeling heeft betrokken. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep was aanwezig bij de hoorzitting in bezwaar en heeft daarnaast dossierstudie verricht waarbij ook de in bezwaar van de huisarts van appellant en van appellant zelf verkregen informatie van de behandeld sector is betrokken. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich ook rekenschap gegeven van de door appellant te kennen gegeven toename van pijnklachten. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep passen de door de verzekeringsarts aangegeven beperkingen bij de problematiek van appellant waarbij vanwege de enkelproblematiek vooral het lopen en staan beperkt zijn en de rug niet te zwaar belast moet worden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had geen argumenten om appellant meer beperkt te achten. Ook de informatie van de huisarts gaf geen aanwijzingen dat de beperkingen van appellant groter zijn.

Equality of arms

4.5.

Appellant heeft in bezwaar gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn standpunt te onderbouwen met medische informatie van zijn huisarts, die ook gegevens heeft gestuurd van de neuroloog en de orthopeed die appellant in 2010 onderscheidenlijk in 2011 en 2012 hebben behandeld. Van deze informatie kan niet worden gezegd dat deze naar zijn aard niet geschikt is om twijfel te zaaien aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv. Van een schending van equality of arms is dan ook geen sprake, zodat hierin geen aanleiding ligt tot het benoemen van een deskundige.

Inhoudelijke beoordeling

4.6.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat de beperkingen van appellant niet juist zijn vastgesteld in de FML van 16 september 2015. De verzekeringsarts van het Uwv is bij het vaststellen van de beperkingen uitgegaan van de situatie dat appellant aanhoudend hinder ondervindt van bekende klachten (restklachten linkerenkel en rugklachten) en dat bij eigen onderzoek geen wezenlijk ander beeld naar voren is gekomen dan voorheen. Op grond hiervan heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat appellant aangewezen is op veelal zittend te verrichten werkzaamheden, waarbij in verband met de rugklachten af en toe kan worden verzeten of vertreden en niet te zwaar hoeft te worden getild. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verkeringsarts aldus zijn beperkingen heeft onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 23 februari 2016 adequaat gereageerd op de in bezwaar overgelegde medische stukken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat er geen aanleiding is om ten aanzien van appellant meer beperkingen aan te nemen. Er is geen aanleiding dit standpunt niet te volgen. Gelet op het voorgaande is er geen grond voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Het verzoek om benoeming van een onafhankelijke deskundige wordt dan ook om deze reden afgewezen.

4.7.

Uitgaande van de juistheid van de opgestelde FML wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat de voorgehouden functies voor appellant in medisch opzicht geschikt zijn.

4.8.

Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.7 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en B.J. van de Griend en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2019.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) W.M. Swinkels

LO