Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1082

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2019
Datum publicatie
03-04-2019
Zaaknummer
15/5649 MPW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om toekenning van een militair invaliditeitspensioen en een bijzondere invaliditeitsverhoging. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundigen kunnen niet vaststellen of er op de peildatum 2 april 2013 in volle omvang sprake was van een op de uitzending naar Bosnië terug te voeren PTSS, zoals die zich volgens de deskundigen ergens in de omliggende periode met zekerheid heeft ontwikkeld. In aanmerking genomen dat de op de peildatum wel als vaststaand aangenomen depressieve stoornis blijkens de conclusies van de deskundigen niet in overwegende mate met de uitzending verband houdt, is er daarmee onvoldoende grondslag om in deze zaak uit te kunnen gaan van invaliditeit met dienstverband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2019-0048
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5649 MPW

Datum uitspraak: 14 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 juli 2015, 15/883 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie, thans de staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie (minister), is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de staatssecretaris. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de minister.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2017. Appellant is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.R.C. Adang.

Het onderzoek is na de zitting heropend. De Raad heeft aanleiding gezien

prof. dr. G. Glas, psychiater, te benoemen als deskundige. Glas heeft op 15 september 2018, gezamenlijk met J.J. Verhagen, arts in opleiding tot psychiater, rapport uitgebracht.

Partijen hebben hun zienswijze op het rapport van de deskundige gegeven.

Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2019. Appellant is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R.C. Adang en drs. R. Bhaggoe. De Raad heeft ter zitting de deskundigen Glas en Verhagen gehoord.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is van 19 augustus 1996 tot 21 februari 1997 als militair uitgezonden geweest naar Bosnië in het voormalige Joegoslavië. Hij is per 1 mei 2001 op eigen verzoek ontslagen uit militaire dienst.

1.2.

Op 28 maart 2013 heeft appellant verzocht om toekenning van een militair invaliditeitspensioen en een bijzondere invaliditeitsverhoging. De aanvraag is op 2 april 2013 door de staatssecretaris ontvangen. Appellant heeft een geneeskundig onderzoek ondergaan. Hij is behalve door een verzekeringsarts, ook gezien door prof. dr. H.J.C. van Marle, psychiater. In het op 15 januari 2014 uitgebrachte rapport is geconcludeerd dat appellant lijdt aan een psychische aandoening, te weten een aanpassingsstoornis met gemengd angstige en depressieve stemming, waarvoor geen dienstverband kan worden aanvaard. Bij besluit van 16 januari 2014 is het verzoek van appellant gelet op deze bevindingen afgewezen.

1.3.

Appellant heeft tegen het besluit van 16 januari 2014 bezwaar gemaakt. Bij besluit van

26 januari 2015 (bestreden besluit) is dit bezwaar ongegrond verklaard.

2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Uit het rapport van Glas en Verhagen, zoals dat ter zitting van de Raad door deze deskundigen is toegelicht, komt naar voren dat appellant op de in deze zaak geldende peildatum 2 april 2013 voldeed aan de criteria voor een matig ernstige depressieve stoornis. Hoewel de uitzending naar Bosnië volgens de deskundigen indirect wel een rol heeft gespeeld in het ontstaan van deze stoornis, schrijven de deskundigen de bedoelde stoornis grotendeels aan andere oorzaken toe. Daarnaast hebben de deskundigen geconcludeerd dat appellant in de periode vanaf 2012 een posttraumatische stressstoornis (PTSS) heeft ontwikkeld. Appellant voldeed ergens na 2012 en zeker tot aan 2015 gedurende maanden tot jaren aan de criteria voor een PTSS, aldus de deskundigen. Deze PTSS is terug te voeren op de uitzending naar Bosnië, zo hebben de deskundigen ter zitting van de Raad, in aanvulling op hun rapport, nog eens toegelicht. Of deze PTSS op 2 april 2013 al in volle omvang bij appellant aanwezig was hebben de deskundigen evenwel niet kunnen vaststellen.

3.2.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport, zoals dat ter zitting van de Raad is toegelicht, geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De Raad ziet geen aanleiding de bevindingen van de deskundigen in twijfel te trekken. Met name ziet de Raad geen reden tot die twijfel gelegen in de ter zitting namens de staatssecretaris gegeven reactie op de toelichting van de deskundigen. Namens de staatssecretaris is desgevraagd bevestigd dat de diagnose PTSS wordt onderschreven, maar daarbij is tegelijk de veronderstelling geuit dat deze PTSS dan wel terug te voeren zal zijn op andere ervaringen dan de uitzending naar Bosnië, zoals bijvoorbeeld de gang van zaken rondom de bruiloft van appellant in 2011. Deze veronderstelling ontbeert een medische onderbouwing. De Raad merkt in dat verband nog op dat de deskundigen niet alleen staan in hun conclusie dat gebeurtenissen tijdens de uitzending naar Bosnië tot een PTSS bij appellant hebben geleid. Zijn behandelaars bij Centrum ’45 en het Psychotraumacentrum Zuid-Nederland zijn, in 2015 en in 2016, in grote lijnen tot eenzelfde conclusie gekomen.

3.3.

In deze zaak geldt de peildatum 2 april 2013. Zoals overwogen onder 3.1, hebben de deskundigen niet kunnen vaststellen of er op die specifieke datum in volle omvang sprake was van een op de uitzending naar Bosnië terug te voeren PTSS, zoals die zich volgens de deskundigen ergens in de omliggende periode met zekerheid heeft ontwikkeld. In aanmerking genomen dat de op de peildatum wel als vaststaand aangenomen depressieve stoornis blijkens de conclusies van de deskundigen niet in overwegende mate met de uitzending verband houdt, is er daarmee onvoldoende grondslag om in deze zaak uit te kunnen gaan van invaliditeit met dienstverband. Ter voorlichting aan partijen wordt nog opgemerkt dat dat - afhankelijk van de feiten en omstandigheden in die zaak, waarmee de Raad niet bekend is - mogelijkerwijs anders ligt in de nog lopende bezwaar- en beroepszaak over een besluit op een aanvraag met een latere peildatum.

3.4.

Het overwogene onder 3.1 tot en met 3.3 betekent dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak komt, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van E. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2019.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) E. Stumpel

md