Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1079

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
16-05-2019
Zaaknummer
16/1533 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Bezit onroerend goed in buitenland. Onduidelijke situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 1533 WWB, 16/7098 WWB, 17/5372 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van

28 januari 2016, 15/5358 (aangevallen uitspraak 1), 8 november 2016, 16/1004

(aangevallen uitspraak 2), en 21 juni 2017, 16/6408 (aangevallen uitspraak 3)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (college)

Datum uitspraak: 19 maart 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft in onderhavige zaken gelijktijdig plaatsgevonden op

5 februari 2019. Voor appellante is verschenen mr. Küçükünal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Mersel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 23 juli 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de

Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.1.

Naar aanleiding van een anonieme tip inhoudende dat appellante samen met haar zussen en broers in [plaatsnaam] een huis, appelboomgaard en een stuk grond heeft geërfd van hun vader, heeft een toezichthouder van de gemeente [woonplaats] (toezichthouder) een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft met tussenkomst van het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) een medewerker van het Bureau Attaché Sociale Zaken van de Nederlandse ambassade in Ankara (Bureau Attaché) in opdracht van de gemeente [woonplaats] een onderzoek in Turkije gestart naar het bezit van onroerende zaken van appellante in Turkije. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een Rapportage vermogensonderzoek van 31 december 2013. Kort samengevat staat in deze rapportage het volgende. Een medewerker van Bureau Attaché heeft de webpagina van de afdeling onroerende zaak belasting (OZB) van de gemeente [plaatsnaam] geraadpleegd. Daaruit is gebleken dat appellante belastingaangiftes heeft ingediend voor een huis met kadastrale ligging [C] en twee percelen bouwgrond met kadastrale ligging [A] en [B]. Een lokale makelaar heeft op verzoek van Bureau Attaché het perceel bouwgrond [B] getaxeerd op - omgerekend - € 21.000,-.

1.2.2.

Appellante heeft vervolgens op verzoek van de toezichthouder op 1 september 2014 een uittreksel uit het kadaster overgelegd. Daaruit blijkt dat appellante als eigenaar staat geregistreerd van elf onroerende zaken. Een van die onroerende zaken, bouwgrond met kadastrale ligging [A] staat vanaf 30 december 2002 op haar naam geregistreerd. Appellante heeft op 24 oktober 2014 een betalingsspecificatie OZB overgelegd waaruit blijkt op welke data zij welke bedragen aan belasting heeft betaald in de periode van 7 mei 2008 tot en met 25 juli 2014. Naar aanleiding van de van appellante ontvangen kadastrale gegevens, heeft Bureau Attaché een vervolgonderzoek in Turkije verricht, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 17 maart 2015. In deze rapportage is onder meer vermeld dat de lokale makelaar slechts één perceel bouwgrond van de elf op naam van appellante staande onroerende zaken waardevol genoeg heeft geacht voor een taxatie. Dit betrof een boomgaard, die sinds 26 mei 2014 op naam van appellante staat. Deze boomgaard, kadastraal geregistreerd onder 1003/7, heeft de lokale makelaar op 11 maart 2015 getaxeerd

op - omgerekend - € 11.000,-.

1.3.

Het college heeft in de onder 1.2 vermelde onderzoeksbevindingen aanleiding gezien om bij besluit van 13 januari 2015 de bijstand van appellante met ingang van 1 november 2014 te beëindigen (lees: in te trekken). Tevens heeft het college bij besluit van 27 januari 2015 de bijstand van appellante ingetrokken over de periode van 12 november 2004 tot en met 31 oktober 2014 en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 115.200,96 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 6 augustus 2015

(bestreden besluit 1) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen de besluiten van 13 januari 2015 en 27 januari 2015 ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 1 heeft het college, kort weergegeven, ten grondslag gelegd dat appellante onvoldoende gegevens heeft verstrekt, zoals de door het college opgevraagde eigendomsbewijzen van de op haar naam staande onroerende zaken en daarop betrekking hebbende taxatierapporten, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.4.

Appellante heeft zich op 16 april 2015 opnieuw gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand en de aanvraag op 19 mei 2015 ingediend (aanvraag 1). Het college heeft de aanvraag bij besluit van 10 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

4 januari 2016 (bestreden besluit 2), afgewezen. Aan bestreden besluit 2 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante, gelet op de onduidelijkheid over haar vermogenspositie, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.

1.5.

Appellante heeft op 8 december 2015 opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend (aanvraag 2). Bij besluit van 24 maart 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

1 september 2016 (bestreden besluit 3), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan bestreden besluit 3 heeft het college ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, omdat appellante onvoldoende informatie heeft verstrekt over de totale waarde van het onroerend goed waarover zij beschikt of de beschikking heeft gehad.

2. Bij aangevallen uitspraken 1, 2 en 3 heeft de rechtbank de beroepen tegen respectievelijk bestreden besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken 1, 2 en 3 gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering (aangevallen uitspraak 1)

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 12 november 2004 tot en met 13 januari 2015.

4.2.

Appellante heeft als enige beroepsgrond aangevoerd dat het in Turkije verrichte onderzoek een onaanvaardbare inbreuk maakt op haar privéleven en daarmee strijdig is met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In dit kader heeft appellante aangevoerd dat het onderzoek is verricht in strijd met de Turkse wet- en regelgeving. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen in onder meer zijn uitspraak van 17 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1910, wordt met de - ook in het geval van appellante - gehanteerde onderzoeksmiddelen, zoals het bezoeken van en om informatie vragen bij de kadasters en OZB-afdelingen van verschillende Turkse gemeentes en het raadplegen van gegevens in openbare digitale registers, een beperkte en aanvaardbare inbreuk gemaakt op het in artikel 8 van het EVRM gewaarborgde recht op respect voor het privéleven van de betrokkenen en is deze inbreuk gerechtvaardigd.

4.4.

Bij de vraag of bewijs, vergaard door, in opdracht of onder verantwoordelijkheid van Nederlandse bestuursorganen, bij besluitvorming of de toetsing daarvan in een bestuursrechtelijke procedure rechtmatig mag worden gebruikt, is slechts van belang of dat bewijs naar Nederlands recht, daaronder begrepen het in Nederland geldende internationale en Europese recht, rechtmatig is verkregen. Geen regel van Nederlands recht, daaronder begrepen verdragenrecht, schrijft voor dat bewijs, vergaard door, in opdracht of onder verantwoordelijkheid van Nederlandse bestuursorganen, naar Turks recht rechtmatig moet zijn verkregen. Ook anderszins kan niet worden gezegd dat gebruik van bewijs, dat op verzoek van het college door tussenkomst van het Bureau Attaché is verkregen, zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. De enkele omstandigheid dat de afgifte van dat bewijs naar Turks recht onrechtmatig zou zijn, wat daarvan zij, is daartoe onvoldoende. Zie de uitspraak van 1 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2912.

4.5.

Gelet op 4.1 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet, zodat deze uitspraak moet worden bevestigd.

Aanvragen van 19 mei 2015 en 8 december 2015 (aangevallen uitspraken 2 en 3)

4.6.

De te beoordelen periode voor aanvraag 1 loopt van 19 mei 2015 tot en met 10 september 2015 en voor aanvraag 2 van 8 december 2015 tot en met 24 maart 2016 (te beoordelen perioden).

4.7.

Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.8.

Appellante heeft bij haar aanvragen de volgende aanvullende gegevens overgelegd: een zogenoemde tapu senedi betreffende onroerende zaak [C], waaruit blijkt dat tot 2 september 2014 [Naam X] het eigendom bezat en op die datum dit eigendom is overgedragen aan [Naam Y]. In verband hiermee heeft appellante tevens een uittreksel uit het kadaster overgelegd waaruit blijkt dat sprake was van een executoriale verkoop voor een bedrag van TL 52.892,-. Daarnaast heeft appellante een stuk overgelegd waaruit volgens haar zou blijken dat zij een schuld aan [Naam X] had en een verklaring van een lokale makelaar;

- een overzicht van in 2014 betaalde OZB met betrekking tot negen op naam van appellante geregistreerde onroerende zaken voor een totaalbedrag van TL 8.579,25.

4.9.

Appellante heeft aangevoerd dat zij niet in staat is meer gegevens over te leggen dan zij heeft gedaan. Op basis van de overgelegde gegevens kan haar vermogen - schattenderwijs - worden vastgesteld en overtreft het vermogen de schuld van appellante aan het college niet, zodat appellante in de te beoordelen perioden recht op bijstand had.

4.10.

Anders dan appellante heeft aangevoerd, zijn de door haar overgelegde stukken onvoldoende om haar vermogen in de te beoordelen perioden - schattenderwijs - vast te stellen. Tussen partijen is niet in geschil dat een waardebepaling ten tijde van de te beoordelen perioden van de op naam van appellante staande onroerende zaken, waaronder de percelen 1003/7 en [B], ontbreekt. Verder ontbreken gegevens over de percelen [D], [E] en [F] en is onduidelijkheid blijven bestaan over perceel [C]. Appellante stond met betrekking tot perceel [C], volgens de onder 1.2 genoemde rapportage van Bureau Attaché van december 2013, op het moment van het onderzoek als belastingplichtige geregistreerd. Onduidelijk is voor welk bedrag deze onroerende zaak daarna aan [Naam X] is overgedragen. De onder 4.8 genoemde ongedateerde verklaring van een Turkse makelaar geeft geen duidelijkheid hierover noch over de waarde van de overige op naam van appellante geregistreerde onroerende zaken. Dat appellante in bewijsnood zou verkeren, met name om een (zicht)taxatie te laten verrichten van perceel [C] heeft zij niet onderbouwd. Daargelaten dat dit gelet op de schending van de inlichtingenverplichting voor haar rekening en risico komt, wordt appellante niet gevolgd in haar stelling dat zij gelet op haar leeftijd en het ontbreken van contacten in Turkije niet in staat is om deze informatie te vergaren. Appellante is er immers ook in geslaagd de onder 4.8 genoemde stukken over te leggen. Als gevolg van de onduidelijkheid over het vermogen van appellante, is de door appellante voorgestane saldering met haar schulden niet mogelijk en kan het recht op bijstand over de te beoordelen perioden niet worden vastgesteld.

4.11.

Gelet op 4.10 slagen de hoger beroepen tegen aangevallen uitspraken 2 en 3 niet, zodat deze uitspraken ook moeten worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken 1, 2 en 3.

Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld als voorzitter en W.F. Claessens en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van E. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2019.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) E. Stumpel

md