Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1077

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
08-04-2019
Zaaknummer
17/3060 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Appellante heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe zij over een periode vaan een jaar in levensonderhoud heeft voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3060 PW

Datum uitspraak: 26 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 maart 2017, 16/3186 (aangevallen uitspraak), en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Akkaya, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2019. Namens appellante is verschenen mr. Akkaya. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Driel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 27 februari 2012 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Met ingang van 1 juli 2015 is de kostendelersnorm toegepast. Ten tijde van belang woonden haar twee zoons, [naam zoon A] (A), geboren in 1982, en [naam zoon B] (B), geboren in 1987, bij haar in. A ontving vanaf 27 februari 2012 bijstand. Met ingang van 1 januari 2015 is de bijstand van A geblokkeerd. Van B is niet bekend dat hij inkomsten heeft.

1.2.

Naar aanleiding van de verklaring van A op 16 juli 2015 dat zijn moeder de huur, elektra en de boodschappen betaalt, dat hij leeft van het geld dat hij van de Belastingdienst krijgt en dat hij en zijn broer geen inkomsten hebben, heeft een sociaal rechercheur van de regio Helmond een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer dossier- en internetonderzoek gedaan en afschriften van de bankrekeningen van appellante opgevraagd en onderzocht. Appellante is op 21 oktober 2015 en 8 december 2015 gehoord. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in rapporten van 14 december 2015 en 22 december 2015. Geconstateerd is dat van 1 september 2014 tot en met 31 augustus 2015 totaal aan boodschappen is uitgegeven € 119,15 en dat er € 80,- aan pinopnames zijn gedaan.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 29 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 oktober 2016 (bestreden besluit), de bijstand met ingang van 1 september 2014 in te trekken en bij besluit van 22 februari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 september 2014 tot en met 30 november 2015 tot een bedrag van € 12.370,97 (bruto) van appellante terug te vorderen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante onvoldoende duidelijk heeft gemaakt hoe zij in haar levensonderhoud heeft voorzien, dat zij hiermee de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat het recht op bijstand daarom niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 1 september 2014 tot en met 29 december 2015.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan, in dit geval schending van de inlichtingenverplichting, in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de PW doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Zij heeft een deel van haar boodschappen betaald met leningen van familie en vrienden en daarnaast boodschappen op rekening gedaan bij diverse supermarkten. Uit de door haar overgelegde bankafschriften blijkt niet van stortingen of een ander signaal van extra inkomsten. Uit de door haar ingebrachte verklaringen van de eigenaren van vier supermarken blijkt in welke periode en voor welk bedrag appellante boodschappen heeft gedaan. Die verklaringen moeten in de beoordeling worden betrokken.

4.5.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Aan de ongegrondverklaring van het beroep heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het rapport van 14 december 2015 voldoende grond biedt voor de conclusie dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellante heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe zij in de periode van 1 september 2014 tot en met 31 augustus 2015 in haar levensonderhoud heeft voorzien. De rechtbank heeft de in beroep ingebrachte verklaringen van haar leveranciers van levensmiddelen bij de beoordeling betrokken. De rechtbank heeft overwogen dat uit deze verklaringen slechts volgt dat appellante in voormelde periode boodschappen heeft gedaan waarvoor zij nog moet betalen en dat zij met allevier de eigenaren een betalingsregeling is overeengekomen. Nu de bedragen niet zijn gespecifieerd met bijvoorbeeld een kassa-uitdraai, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij bij deze winkels daadwerkelijk openstaande rekeningen heeft. Dat zij geen kassa-uitdraai kan overleggen, heeft de rechtbank ongeloofwaardig geoordeeld. De Raad sluit zich bij deze overwegingen aan en voegt daaraan nog het volgende toe.

4.6.

Ook de in beroep overgelegde leningsovereenkomsten kunnen niet bijdragen aan het door appellante te leveren bewijs. Deze zijn onvoldoende specifiek en niet verifieerbaar. Zo blijkt daaruit niet op welke data de gelden aan appellante ter beschikking zijn gesteld of direct zijn gebruikt ter aflossing van door haar bij de winkeliers gemaakte schulden. Ook ontbreken adresgegevens van de geldverstrekkers en kopieën van hun identiteitsbewijs.

4.7.

Tegen de terugvordering heeft appellante geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen bespreking behoeft.

4.8.

Uit 4.5 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet slaagt, zodat deze moet worden bevestigd. Hieruit volgt dat het verzoek om veroordeling van het college tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2019.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J. Tuit

ew