Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1067

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2019
Datum publicatie
04-04-2019
Zaaknummer
13/1392 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om erkenning van de psychische klachten als beroepsziekte terecht afgewezen. Nu betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat, objectief gezien, sprake is van buitensporige werkomstandigheden, komt de Raad niet toe aan de vraag of er tussen de werkzaamheden van betrokkene en de ontstane psychische arbeidsongeschiktheid een oorzakelijk verband aanwezig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/227
PS-Updates.nl 2019-0656
AB 2019/415 met annotatie van A.C. Hendriks
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 1392 AW, 13/2772 AW, 16/5945 AW

Datum uitspraak: 21 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

1 februari 2013, 12/1166 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (korpschef)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De korpschef heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J. van Overdam, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Voorts heeft betrokkene gronden ingediend tegen het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van de korpschef van 24 april 2013.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2014. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Haagmans. Betrokkene is verschenen bij gemachtigde,

mr. Van Overdam. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Het onderzoek is voortgezet op de nadere zitting op 13 april 2017. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Haagmans. Betrokkene is verschenen bij gemachtigden, mr. drs. J. Sajtos en B.O. Vreeswijk. De Raad heeft het onderzoek heropend.

De door de Raad als deskundige benoemde dr. M.J.A. Tijssen, psychiater, heeft op

30 november 2018 rapport uitgebracht.

Partijen hebben een zienswijze ingezonden.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een

nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is sinds 1 augustus 2005 werkzaam geweest als [naam functie].

Hij was in de nacht van 27 juni 2010 op 28 juni 2010 werkzaam in het [naam complex] te [plaatsnaam]. Bij het overplaatsen van een arrestant naar een andere cel, heeft deze arrestant betrokkene een kopstoot gegeven. Betrokkene heeft hierdoor een hoofdwond opgelopen boven het linkeroog. In het ziekenhuis is de wond behandeld met 15 hechtingen. Als gevolg van dit incident, dat door verweerder is aangemerkt als dienstongeval, was betrokkene van

27 juni 2010 tot 4 november 2010 volledig arbeidsongeschikt. Na een periode van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en vervolgens volledige werkhervatting, is betrokkene vanaf 7 januari 2011 opnieuw volledig arbeidsongeschikt.

1.2.

Bij brief van 30 september 2011 heeft betrokkene onder meer verzocht om zijn

psychische klachten als gevolg van het dienstongeval aan te merken als een beroepsziekte.

In dat kader heeft hij verwezen naar de brief van dr. H.J. Pelzer, GZ-psycholoog, van 12 oktober 2011, waarin is vermeld dat het dienstongeval het breekpunt was en dat het toestandsbeeld van betrokkene is geluxeerd door de wijze waarop de werkgever in de perceptie van betrokkene heeft gereageerd op het dienstongeval en op eerdere incidenten.

1.3.

Bij besluit van 12 december 2011 is het verzoek afgewezen.

1.4.

Bij besluit van 21 mei 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van

12 december 2011 ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag dat niet gesproken kan worden van zodanige werkomstandigheden dat deze objectief beschouwd als buitensporig dienen te worden aangemerkt. Uit het dossier blijkt bovendien niet dat betrokkene lijdt aan een werkgerelateerde posttraumatische stressstoornis (PTSS). Volgens de korpschef bestaat geen aanleiding om de psychische klachten aan te merken als beroepsziekte.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen van proceskosten en

griffierecht, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat niet in geschil is dat bij betrokkene geen sprake is van PTSS. Geoordeeld is echter dat het standpunt van de korpschef dat de Circulaire PTSS Politie (Circulaire) alleen toeziet op situaties waarin sprake is van een PTSS, niet deugdelijk is gemotiveerd.

2.1.

Bij besluit van 24 april 2013 heeft de korpschef ter uitvoering van de aangevallen uitspraak het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag dat, nu bij betrokkene geen sprake is van een (medisch vastgestelde) PTSS, de Circulaire geen toepassing heeft en het buitensporigheidsvereiste geldt. Er is geen sprake geweest van de vereiste buitensporigheid. Het feit dat betrokkene bij het uitoefenen van zijn taken een geweldsincident heeft meegemaakt, is op zichzelf niet buitensporig te noemen. Dat betrokkene daarbij letsel heeft opgelopen maakt dit niet anders. Er bestaat dan ook geen aanleiding om de psychische klachten van betrokkene aan te merken als beroepsziekte.

3.1.

Het onderzoek ter zitting van de Raad op 24 juli 2014 is geschorst teneinde vast te stellen of bij betrokkene al dan niet sprake is van een PTSS. Door psychiater H.S.R. Witte is op verzoek van de bedrijfsarts op 20 mei 2015 een rapport uitgebracht. Witte concludeert dat bij betrokkene sprake is van een PTSS als gevolg van een samenstel van gebeurtenissen, deels werkgerelateerd. Het dienstongeval was de druppel die de emmer deed overlopen en dit werd secundair versterkt door de bejegening door zijn nieuwe chefs met uiteindelijk zijn ontslag.

3.2.

De Adviescommissie PTSS Politie (commissie) heeft de diagnose van Witte niet voldoende onderbouwd geacht, zodat niet kan worden vastgesteld dat aan het

A-en B-criterium is voldaan. Voorts overweegt de commissie dat de onderbouwing van het

C-criterium ontbreekt dan wel onvoldoende is. Op verzoek van artsen van het meldpunt PTSS Politie heeft R. Loonstein, verzekeringsarts, een herdiagnose verricht en daarvan op 30 maart 2016 een rapport uitgebracht. Loonstein heeft - voor zover hier van belang - vermeld dat betrokkene hem heeft medegedeeld dat hij alleen is getraumatiseerd door de wijze waarop hij door de leiding is bejegend en niet door het incident met de arrestant. Loonstein concludeert dat sprake is van posttraumatische kenmerken ten gevolge van de behandeling van betrokkene door de leiding van de politie.

3.3.

In de brief van 11 juli 2016 heeft de commissie de korpschef bericht dat zij geen advies kan uitbrengen, omdat er bij betrokkene geen diagnose PTSS is gesteld die voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in het Protocol Advies Commissie PTSS Politie van

29 november 2013. Daartoe is, kort samengevat, overwogen dat Loonstein heeft geconcludeerd dat bij betrokkene geen sprake is (geweest) van een volledige PTSS en dat niet kan worden aangetoond dat aan de vereiste criteria van de DSM IV wordt voldaan. De commissie merkt op dat niet uitgesloten is dat de klachten zijn ontstaan vanuit het werk.

3.4.

Bij besluit van 24 augustus 2016 heeft de korpschef het verzoek van betrokkene van

11 juni 2015 om zijn klachten te erkennen als beroepsziekte afgewezen, onder verwijzing naar het bericht van de commissie.

4.1.

De korpschef heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de Circulaire alleen ziet op gevallen van PTSS, dat vaststaat dat bij betrokkene geen sprake is van PTSS, dat de Circulaire in dit geval niet van toepassing is, dat conform de vaste rechtspraak van de Raad het buitensporigheidsvereiste geldt en dat van buitensporigheid geen sprake is geweest.

4.2.

Betrokkene heeft zich in zijn verweer en ter zake van het besluit van 24 april 2013 op het standpunt gesteld dat zijn psychische klachten onmiskenbaar zijn te scharen onder de registratierichtlijn van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten welke door de korpschef wordt gehanteerd om te bepalen of er sprake is van een PTSS, zodat het buitensporigheidsvereiste buiten beschouwing dient te blijven. Betrokkene wijst erop dat hij bij de zitting van de rechtbank naar voren heeft gebracht dat zijn behandelend psycholoog heeft aangegeven dat het niet tot zijn competentiedomein behoort om te oordelen of betrokkene voldoet aan de criteria van de registratierichtlijn. Daarnaast stelt betrokkene dat de Circulaire niet enkel ziet op situaties waarin sprake is van een PTSS. Indien de Circulaire niet van toepassing is, meent betrokkene dat het incident met de kopstoot als buitensporig moet worden aangemerkt. Tegen het besluit van 24 augustus 2016 heeft betrokkene aangevoerd dat door het direct inschakelen van Loonstein, hem de mogelijkheid is ontnomen om aan Witte de door de commissie gewenste informatie te vragen. Betrokkene vindt het onduidelijk waarom aan de diagnose van een erkende psychiater wordt getwijfeld en waarom het vaststellen van de diagnose opnieuw wordt gedaan door een verzekeringsarts.

4.3.

De Raad heeft na de nadere zitting van 13 april 2017 het onderzoek heropend,

dr. M.J.A. Tijssen, psychiater, tot deskundige benoemd en aan de deskundige een aantal vragen gesteld. Deze deskundige heeft op 30 november 2018 rapport uitgebracht.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het geding in hoger beroep strekt zich op de voet van artikel 6:19 van de Awb mede uit tot het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak gegeven nadere besluit van 24 april 2013. De Raad zal voorts het besluit van 24 augustus 2016 om proceseconomische redenen en uit een oogpunt van definitieve geschillenbeslechting bij zijn beoordeling betrekken, nu beide partijen hiermee hebben ingestemd en voldoende samenhang bestaat met de reeds aan de orde zijnde besluiten.

5.2.

Tussen partijen is in geschil of de ziekte van betrokkene een beroepsziekte is.

5.3.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder y, van het Besluit algemene rechtspositie politie wordt onder beroepsziekte verstaan een ziekte, welke in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.

5.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7194) geldt voor de toepassing van regelingen als deze allereerst dat de in het werk of de werkomstandigheden gelegen bijzondere factoren, die de arbeidsongeschiktheid zouden hebben veroorzaakt, moeten worden geobjectiveerd. Wanneer de arbeidsongeschiktheid in sterkere mate van psychische aard is, zal in meerdere mate sprake moeten zijn van factoren die in verhouding tot dat werk of die

werkomstandigheden - objectief bezien - een buitensporig karakter dragen. De beoordeling hiervan vergt een juridische kwalificatie van de zich voordoende feiten. Het ligt daarbij op de weg van de ambtenaar om voldoende feiten aan te dragen ter onderbouwing van zijn stelling dat van dergelijke omstandigheden sprake is. Pas nadat is vastgesteld dat de aard van het werk dan wel de omstandigheden waaronder dat moest worden verricht - objectief beschouwd - als buitensporig moeten worden aangemerkt, komt de vraag aan de orde of er tussen die werkzaamheden en de ontstane psychische arbeidsongeschiktheid een oorzakelijk verband aanwijsbaar is. Voorts moet de buitensporigheid worden beoordeeld in verhouding tot de opgedragen werkzaamheden en de daarbij behorende omstandigheden. Dit betekent dat gebeurtenissen en werkomstandigheden die inherent zijn aan de functie als oorzaak van psychisch disfunctioneren buiten beschouwing moeten blijven. Zie de uitspraak van

11 oktober 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX9964).

5.5.

De deskundige Tijssen heeft in haar rapportage de vraag of bij betrokkene op de peildatum, op 30 september 2011 dan wel op 11 juni 2015, sprake was van een PTSS ontkennend beantwoord. In dit rapport is vermeld dat betrokkene te kennen heeft gegeven dat zijn klachten niet direct volgden op het incident (of voorgaande incidenten) of causaal hieraan gerelateerd zijn. Zijn klachten zijn te relateren aan de bejegening van de leidinggevende, waarbij diens gebrek aan respect en incompetentie primeerden. Betrokkene heeft ontkend dat sprake was van bedreigingen, zodat per definitie niet is voldaan aan criterium A1 en bij hem niet de diagnose PTSS kan worden gesteld. Betrokkene beschikt niet over voldoende copingsvaardigheden om op adequate wijze om te gaan met de problemen die hij ervaart. Er is sprake van een aanpassingsstoornis bij een zeer rechtschapen man die moeilijk onrecht en gebrek aan respect kan verdragen. Deze aanpassingsstoornis is persisterend van aard en gaat gepaard met grote lijdensdruk, veroorzaakt door een manifest gevoel van krenking. De Raad is van oordeel dat het door Tijssen uitgebrachte rapport blijk geeft van een zorgvuldig onderzoek en dat het inzichtelijk en consistent is. Betrokkene heeft de juistheid van de bevindingen en diagnose van Tijssen niet betwist. De Raad volgt derhalve de conclusie van Tijssen dat bij betrokkene ten tijde hier van belang geen sprake was van een PTSS.

5.6.

Voor politieambtenaren geldt sinds 1 januari 2013, met terugwerkende kracht tot

1 januari 2007, de Circulaire, vastgesteld door de Minister van Justitie en Veiligheid. De Circulaire is een invulling van de gemaakte afspraken in het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie (2012-2014) van 31 mei 2012 en heeft tot doel eenheid te brengen tussen de politiekorpsen bij het erkennen van PTSS als beroepsziekte. Daarbij is overeengekomen dat voor een rechtspositionele aanspraak op beroepsziekte bij PTSS, het uitgangspunt moet zijn dat als medisch wordt vastgesteld dat PTSS beroepsgerelateerd is, dit ook in rechtspositionele zin erkend wordt, tenzij sprake is van schuld of onvoorzichtigheid van de betrokken ambtenaar. Voor de beoordeling of de ziekte PTSS als beroepsziekte kan worden aangemerkt, blijft het criterium van het bestaan van buitensporige werkomstandigheden, zoals dat is geformuleerd door de Raad bij een ziekte van psychische aard, buiten beschouwing.

Zie de uitspraak van 31 januari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:526). Nu bij betrokkene geen sprake was van een PTSS, geldt het buitensporigheidscriterium.

5.7.

De Raad stelt vast dat niet in geschil is dat het houden van toezicht op de orde in het [naam complex] en het verplaatsen van arrestanten behoort tot de werkzaamheden in de functie van [naam functie]. Evenmin is in geschil dat in de referentiefunctiebeschrijving onder bezwarende omstandigheden is opgenomen “fysieke inspanningen, behendigheid en kans op letsel”. Het is dan ook inherent aan de functie van betrokkene dat hij bij de uitoefening van zijn functie te maken kan krijgen met fysiek en/of verbaal geweld. Het meemaken van een geweldsincident zoals hier aan de orde is op zichzelf niet buitensporig te noemen, ook al is het incident voor betrokkene confronterend geweest en heeft hij hier verwondingen bij opgelopen.

5.8.

In de rapportage van Tijssen is vermeld dat betrokkene zich onheus bejegend voelt door de directe leidinggevenden bij de politie. Betrokkene heeft toegelicht dat zij naar zijn mening disfunctioneerden en dat het reilen en zeilen binnen het [naam complex] niet altijd volgens de regels verliep. Hij had hier kritiek op en dit werd hem niet in dank afgenomen. Betrokkene heeft het idee dat men hem graag kwijt wilde. Hij heeft moeite met de afhankelijkheid van zijn leidinggevenden, waardoor deze in zijn optiek konden doen wat ze wilden. Betrokkene heeft dit standpunt onvoldoende onderbouwd. De Raad gaat hier daarom aan voorbij.

5.9.

Nu betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat, objectief gezien, sprake is van buitensporige werkomstandigheden, komt de Raad niet toe aan de vraag of er tussen de werkzaamheden van betrokkene en de ontstane psychische arbeidsongeschiktheid een oorzakelijk verband aanwezig is. Daarom komt ook de Raad tot de conclusie dat het verzoek om erkenning van de psychische klachten als beroepsziekte moet worden afgewezen.

5.10.

Uit 5.1. tot en met 5.9 volgt dat het hoger beroep van de korpschef slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond verklaren.

Hiermee ontvalt tevens de grondslag aan het ter uitvoering van die uitspraak gegeven nadere besluit van 24 april 2013, zodat dit besluit moet worden vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 24 augustus 2016 moet ongegrond worden verklaard.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 mei 2012 ongegrond;

- vernietigt het besluit van 24 april 2013;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 augustus 2016 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en H. Lagas en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) Y. Itkal

md