Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1065

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2019
Datum publicatie
03-04-2019
Zaaknummer
17/4034 AKW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:3106, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op artikel 14, derde lid, van de AKW, in combinatie met artikel 10 van het Buk heeft dit tot gevolg dat appellant alsnog moet vaststellen dat betrokkene vanaf het eerste kwartaal van 2015 recht heeft op kinderbijslag voor de dochter en dat dit recht aan betrokkene wordt uitbetaald. Er kan geen sprake zijn van het feitelijk terugvorderen van kinderbijslag bij de ex-echtgenoot van betrokkene en het feitelijk nabetalen van kinderbijslag aan betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/196
NJB 2019/945
USZ 2019/129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4034 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

25 april 2017, 16/4718 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 28 maart 2019

PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2019. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek en drs. W. van den Berg. Betrokkene is in persoon verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene en haar ex-echtgenoot, de heer [naam ex-echtgenoot], hebben samen twee kinderen: [naam dochter] (geboren [in 1] 2000) en [naam zoon] (geboren [in 2] 2001). Sinds 2014 leven betrokkene en haar ex-echtgenoot gescheiden van elkaar. Betrokkene en haar ex-echtgenoot zijn in 2014 een

co-ouderschapsregeling overeengekomen, waarbij is afgesproken dat de kinderbijslag voor [naam dochter] ten goede komt aan betrokkene en dat de kinderbijslag voor [naam zoon] ten goede komt aan de ex-echtgenoot van betrokkene. Verder is afgesproken dat betrokkene en haar ex-echtgenoot een gezamenlijke en/of kinderrekening aanhouden waarop onder meer de kinderbijslag voor [naam dochter] en [naam zoon] wordt gestort. Bij beschikking van 21 januari 2015 heeft de rechtbank

Zeeland-West-Brabant de echtscheiding tussen betrokkene en haar ex-echtgenoot uitgesproken.

1.2.

In reactie op een verzoek om informatie van appellant, hebben betrokkene en haar

ex-echtgenoot op een hun door appellant toegezonden aankruisformulier ‘Wijziging van uw gezinssituatie’ van 1 juli 2014 aan appellant gemeld dat zij gescheiden van elkaar leven, dat er sprake is van co-ouderschap en dat in dat kader is afgesproken dat betrokkene en haar

ex-echtgenoot elk 50% van het volledige bedrag aan kinderbijslag voor [naam dochter] en [naam zoon] krijgen. Verder zijn ontkennende antwoorden aangekruist achter de vraag ‘Wilt u voor ieder kind apart kinderbijslag aanvragen vanwege het kindgebonden budget’ en achter de vraag ‘Volgens onze administratie is de heer [naam ex-echtgenoot] de aanvrager van de kinderbijslag. Wilt u de aanvrager veranderen’. Na de ontvangst van dit formulier heeft appellant het recht op kinderbijslag van de ex-echtgenoot van betrokkene gelijk verdeeld uitbetaald aan betrokkene en haar ex-echtgenoot.

1.3.

In augustus 2015 heeft betrokkene appellant gevraagd om haar alsnog aan te merken als de aanvrager van de kinderbijslag voor [naam dochter]. In aansluiting op correspondentie hierover hebben betrokkene en haar ex-echtgenoot bij formulier ‘Wijziging van uw gezinssituatie’ van 9 januari 2016 bevestigd dat zij beiden willen dat betrokkene alsnog wordt geregistreerd als de aanvrager van de kinderbijslag voor [naam dochter], dat er sprake is van co-ouderschap en dat in dat kader is afgesproken dat betrokkene het volledige bedrag aan kinderbijslag voor [naam dochter] krijgt.

1.4.

Bij besluit van 9 februari 2016 heeft appellant bekendgemaakt dat de afspraken tussen betrokkene en haar ex-echtgenoot over de verdeling van de kinderbijslag alsnog in de administratie van appellant zijn verwerkt, in die zin dat is geregistreerd dat betrokkene en niet haar ex-echtgenoot vanaf het derde kwartaal van 2015 de aanvrager is van de kinderbijslag voor [naam dochter]. Verder is geregistreerd dat vanaf het derde kwartaal van 2015 betrokkene het volledige bedrag aan kinderbijslag voor [naam dochter] krijgt en dat de ex-echtgenoot van betrokkene het volledige bedrag aan kinderbijslag voor [naam zoon] krijgt.

1.5.

Tegen het onder 1.4 vermelde besluit van 9 februari 2016 heeft betrokkene bezwaar gemaakt. Dit bezwaar strekt ertoe dat appellant betrokkene alsnog in zijn administratie registreert als hoofdaanvrager van de kinderbijslag voor [naam dochter] per 1 januari 2015. Dit betekent dat vanaf het eerste kwartaal van 2015 het recht van betrokkene op kinderbijslag voor [naam dochter] tot uitbetaling komt en dat dit recht aan haar is uitbetaald. Betrokkene heeft er in dit verband aan herinnerd dat de regeling inzake de Aftrek levensonderhoud kinderen (LOK) per 1 januari 2015 is vervallen en dat per diezelfde datum aan de Wet op het kindgebonden budget een regeling is toegevoegd die voorziet in een zogenoemde alleenstaande ouderkop (ALO-kop). Betrokkene kan haar aanspraak op kindgebonden budget over 2015 niet of niet volledig realiseren indien appellant niet alsnog in zijn administratie registreert dat vanaf het eerste kwartaal van 2015 haar eigen recht op kinderbijslag voor [naam dochter] aan haar is uitbetaald.

1.6.

Bij besluit van 31 mei 2016 (bestreden besluit) heeft appellant de bezwaren van betrokkene ongegrond verklaard met een verwijzing naar het Besluit uitvoering kinderbijslag (Buk) en artikel 18, zesde lid, van de Algemene kinderbijslagwet (AKW). Tegen dit besluit heeft betrokkene beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daartoe is overwogen dat – verkort weergegeven – de situatie van betrokkene niet gelijk te stellen is met een situatie waarop artikel 18, zesde lid, van de AKW ziet en dat artikel 14 van de AKW appellant ruimte laat om de aanvraag van betrokkene in te willigen met een terugwerkende kracht van een jaar.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant de Raad verzocht om de aangevallen uitspraak te vernietigen en om het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond te verklaren. Daartoe is aangevoerd dat appellant bij de vaststelling van de ingangsdatum van de wijziging waar het in dit geding om gaat, aansluiting heeft gezocht bij wat is bepaald in

artikel 18, zesde lid, van de AKW en niet bij wat is bepaald in artikel 14 van de AKW, omdat het verzoek van betrokkene van augustus 2015 niet ziet op het recht op kinderbijslag als zodanig, maar uitsluitend op een wijziging van het recht op kinderbijslag dat bij de gegeven samenloop van rechten tot uitbetaling komt. Appellant heeft verder te kennen gegeven dat in sommige uitzonderlijke situaties wordt afgeweken van wat is bepaald in artikel 18, zesde lid, van de AKW, maar alleen indien is voldaan aan een aantal voorwaarden. Een van die voorwaarden is dat er aantoonbaar sprake is geweest van gebrekkige informatievoorziening door appellant over de samenhang tussen de kinderbijslag en het kindgebonden budget. Van gebrekkige informatievoorziening door appellant is volgens appellant in dit geval geen sprake, omdat in de toelichting bij het formulier ‘Wijziging van uw gezinssituatie’ van 1 juli 2014 toereikende informatie is verstrekt over de samenhang tussen de kinderbijslag en het kindgebonden budget. De informatievoorziening over het vervallen van de LOK en de introductie van de ALO-kop per 1 januari 2015 rekent appellant tot de verantwoordelijkheid van de Belastingdienst.

3.2.

Betrokkene heeft de Raad verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Artikel 10 van het Buk (uitbetaling kinderbijslag bij co-ouderschap) luidt:

“Indien twee personen die recht hebben op kinderbijslag voor eenzelfde kind, dit kind op basis van een overeenkomst of rechterlijke beschikking overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden zonder met elkaar een gemeenschappelijke huishouding te voeren, wordt tenzij in de overeenkomst anders is overeengekomen of in de rechterlijke beschikking anders is bepaald, het recht van één van deze personen op de kinderbijslag gelijk verdeeld uitbetaald aan beide verzekerden en wordt het recht van de andere persoon niet uitbetaald.”

4.2.

In de Nota van toelichting bij het Buk (Stb. 2014, 229) is met betrekking tot artikel 10 van het Buk vermeld:

“In artikel 18, tweede tot en met zevende lid, van de AKW is de uitbetaling van het recht op kinderbijslag in situaties van meer rechthebbenden vastgelegd. Voor de uitbetaling van dit recht is bijvoorbeeld relevant of een kind tot het huishouden van een verzekerde behoort.

Voor co-ouders is voor de betaling van het recht op kinderbijslag sprake van een bijzondere situatie omdat het kind afwisselend bij de ene of bij de andere ouder is. In zo’n geval wordt de kinderbijslag gesplitst uitbetaald, tenzij anders overeengekomen is in een overeenkomst of rechterlijke beschikking. Dit wordt ook belangrijk gevonden om geen drempels op te werpen in de uitvoering van de afspraken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij co-ouders.”

4.3.

In het voorliggende geval heeft betrokkene in augustus 2015 te kennen gegeven dat zij met ingang van het eerste kwartaal van 2015 wil worden aangemerkt als degene van wie het recht op kinderbijslag voor [naam dochter] is uitbetaald. In november 2015 heeft haar ex-echtgenoot hiermee ingestemd. Op grond van artikel 14, derde lid, van de AKW kan het recht op kinderbijslag met een terugwerkende kracht van een jaar worden vastgesteld. Dit artikel staat er dus niet aan in de weg dat de Svb met een terugwerkende kracht tot en met het eerste kwartaal van 2015 het recht op kinderbijslag van betrokkene voor [naam dochter] vaststelt. Hierdoor komt vast te staan dat sprake is van een samenloop van rechten als bedoeld in artikel 10 van het Buk. In zo’n geval dient het recht op kinderbijslag van één van de betrokkenen gesplitst te worden uitbetaald, tenzij de rechter anders heeft vastgesteld of partijen anders zijn overeengekomen.

4.4.

In het voorliggende geval zijn betrokkene en haar ex-echhtgenoot in 2014 een

co-ouderschapsregeling overeengekomen waarbij is afgesproken dat de kinderbijslag voor [naam dochter] ten goede komt aan betrokkene en dat de kinderbijslag voor [naam zoon] ten goede komt aan de ex-echtgenoot van betrokkene. De inschrijving van de kinderen in het bevolkingsregister is hierop afgestemd. Kennelijk hebben partijen bij het sluiten van het convenant de bedoeling gehad dat het recht van betrokkene op kinderbijslag voor [naam dochter] volledig aan betrokkene zou worden uitbetaald en het recht op kinderbijslag van de ex-echtgenoot voor [naam zoon] volledig aan de ex-echtgenoot. Gelet op artikel 14, derde lid, van de AKW, in combinatie met artikel 10 van het Buk heeft dit tot gevolg dat appellant alsnog moet vaststellen dat betrokkene vanaf het eerste kwartaal van 2015 recht heeft op kinderbijslag voor [naam dochter] en dat dit recht aan betrokkene wordt uitbetaald.

4.5.

Ter verduidelijking merkt de Raad daarbij op dat er in het voorliggende geval geen sprake kan zijn van het feitelijk terugvorderen van kinderbijslag bij de ex-echtgenoot van betrokkene en het feitelijk nabetalen van kinderbijslag aan betrokkene. Appellant heeft de kinderbijslag voor [naam dochter] en [naam zoon] over 2015, in dat jaar beiden ouder dan twaalf jaar, reeds bevrijdend uitbetaald. Deze betaling heeft immers plaatsgevonden op de wijze die door partijen op het formulier van 1 juli 2014 is aangegeven. Er is uitsluitend sprake van een formele correctie die, naar de Svb ter zitting heeft erkend, slechts een geringe administratieve belasting met zich meebrengt, maar die er wel aan kan bijdragen dat betrokkene haar aanspraken op kindgebonden budget over 2015 kan realiseren. In een dergelijke situatie ziet de Raad geen aanknopingspunten voor overeenkomstige toepassing van artikel 18, zesde lid, van de AKW.

4.6.

Het onder 4.1 tot en met 4.5 overwogene leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak.

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 501,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en M.M. van der Kade en M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2019.

(getekend) E.E.V. Lenos.

(getekend) H. Achtot

md