Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1051

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2019
Datum publicatie
03-04-2019
Zaaknummer
16/5326 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene is op grond van de KB’s 557 en 575 niet verzekerd geweest voor de volksverzekeringen vanaf 1 augustus 1971 tot en met 31 december 1977. Geen beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5326 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 juli 2016, 14/6338 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (Frankrijk) (betrokkene)

Datum uitspraak: 28 maart 2019

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. G.J. Los, accountant, een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:45, eerste en tweede lid, van de

Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de Raad de Minister van Buitenlandse Zaken (minister) verzocht inlichtingen te verschaffen. De minister heeft bij brief van

20 september 2018 aan dit verzoek voldaan.

De Svb heeft een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 16/6892 AOW, plaatsgehad op

24 januari 2019. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van der Most en

mr. A. van der Weerd. Namens betrokkene is mr. Los verschenen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is [in] 1947 geboren in Frankrijk. Met ingang van 1 augustus 1971 is betrokkene gaan werken bij [naam werkgever]

([werkgever]) en met ingang van die datum heeft zij zich ook in Nederland gevestigd. Betrokkene heeft bij het [werkgever] gewerkt tot 1 januari 1978. Aansluitend hierop heeft betrokkene tot 1 juni 2006 gewerkt bij het [naam rechtsopvolger] ([rechtsopvolger]), rechtsopvolger van het [werkgever]. Met ingang van 1 juni 2006 is aan betrokkene vrijstelling verleend van de verzekering ingevolge de volksverzekeringen, op de grond dat zij een uitkering van het [rechtsopvolger] ontving. In 2007 is betrokkene terug naar Frankrijk verhuisd.

1.2.

In december 2013 heeft betrokkene een aanvraag om een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ingediend bij de Svb.

1.3.

Bij besluit van 4 februari 2014 heeft de Svb aan betrokkene medegedeeld dat zij geen recht heeft op een ouderdomspensioen ingevolge de AOW. Daarbij is overwogen dat betrokkene niet verzekerd is geweest voor de AOW, omdat zij heeft gewerkt voor een volkenrechtelijke organisatie met een eigen pensioenregeling.

1.4.

Bij de uiteindelijke beslissing op bezwaar van 1 februari 2016 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 4 februari 2014 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat betrokkene, wat betreft de periode dat zij voor het [werkgever] heeft gewerkt van 1 augustus 1971 tot en met 31 december 1977, op grond van achtereenvolgens het Besluit uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen 1976 (KB 557) en het Besluit uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen 1968 (KB 575) uitgesloten was van de verzekering ingevolge de volksverzekeringen. Betrokkene werd niet geacht blijvend binnen het Rijk te wonen, omdat tijdens de dienstbetrekking van betrokkene met het [werkgever] het sociale zekerheidsstelsel van deze organisatie op haar van toepassing was. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 4 februari 2014 herroepen. Daarbij is vastgesteld dat betrokkene over de periode van 1 augustus 1971 tot 1 januari 1978 verzekerd is te achten voor de AOW en dat het AOW-pensioen van betrokkene opnieuw dient te worden berekend. Ook is de rechtbank van oordeel dat in het bestreden besluit geen uitleg is gegeven om welke reden de door betrokkene aangedragen gevallen niet vergelijkbaar zijn met haar situatie. Appellant is veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht van betrokkene.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de in het bestreden besluit gegeven toelichting voldoende is om dat besluit te kunnen dragen en dat voldoende is ingegaan op wat betrokkene in bezwaar naar voren heeft gebracht. In het bijzonder is daarbij verwezen naar de interne werkinstructie voor de toepassing van AOW-verzekeringstijdvakken in relatie tot het [werkgever].

3.2.

Betrokkene heeft opnieuw gesteld dat in haar geval het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Dat geldt ten eerste ten opzichte van de in het bestreden besluit genoemde gevallen, van personen die ook voor het [werkgever] hebben gewerkt en die wel een AOW-pensioen van de Svb zouden ontvangen. Ten tweede heeft betrokkene in hoger beroep nog zeven nieuwe gevallen genoemd, voor wie hetzelfde zou gelden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant betrokkene gedurende het tijdvak van 1 augustus 1971 tot en met 31 december 1977 ten onrechte niet verzekerd heeft geacht voor de verplichte verzekering voor de AOW. Het geschil spitst zich daarbij toe op de betekenis van de zinsnede ‘niet geacht kan worden blijvend binnen het Rijk te wonen’ zoals genoemd in de van toepassing zijnde Besluiten aanwijzing volkenrechtelijke organisaties. Tussen partijen is niet in geschil dat op betrokkene gedurende voornoemd tijdvak een eigen pensioenregeling van het [werkgever] van toepassing was.

4.2.

In artikel 2, sub g, van KB 557 is bepaald dat niet verzekerd is voor de volksverzekeringen degene, die binnen het Rijk verblijf houdt en op wie een regeling inzake uitkering wegens ouderdom, overlijden en langdurige arbeidsongeschiktheid alsmede inzake kinderbijslag van een volkenrechtelijke organisatie van toepassing is, in de gevallen, door Onze Ministers en Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan te wijzen. In artikel 2, sub f, van KB 575 was een gelijkluidende bepaling opgenomen.

4.3.

Vanaf 1 januari 1965 is het [werkgever] door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en de Minister van Buitenlandse Zaken vermeld in het Besluit aanwijzing volkenrechtelijke organisaties van 14 en 28 april 1971, Stcrt. 1971, 100, zoals later gewijzigd bij het Besluit aanwijzing volkenrechtelijke organisaties van 10 juli 1980, Stcrt. 1980, 131, als volkenrechtelijke organisatie waarvan de medewerkers zijn uitgesloten van verplichte verzekering voor de Nederlandse sociale verzekeringen.

4.4.

In artikel 1, aanhef, en onder b, van het Besluit aanwijzing volkenrechtelijke organisaties 1971 is bepaald dat niet als verzekerde in de zin van de AOW wordt aangemerkt degene, die niet geacht kan worden blijvend binnen het Rijk te wonen en op wie een regeling inzake uitkering wegens ouderdom en overlijden alsmede inzake kinderbijslag van het [werkgever] van toepassing is. In artikel 2 van het Besluit aanwijzing volkenrechtelijke organisaties 1980 is een vrijwel gelijkluidende bepaling opgenomen.

4.5.

Voor de vaststelling of betrokkene gedurende het tijdvak van 1 augustus 1971 tot en met 31 december 1977 onder de hiervoor genoemde uitsluitingsgrond valt, is van belang hoe de zinsnede ‘niet geacht kan worden blijvend binnen het Rijk te wonen’ moet worden uitgelegd.

De Svb heeft in dit verband in hoger beroep een interne werkinstructie overgelegd. Uit deze interne werkinstructie blijkt, zoals ter zitting uitvoerig is toegelicht, dat volgens de Svb deze voorwaarde als een juridische fictie moet worden beschouwd. Deze visie stemt overeen met de toelichting die de Minister van Buitenlandse Zaken bij brief van 20 september 2018 op de regeling heeft verstrekt. Volgens de Minister strekt de zinsnede ‘niet geacht kan worden blijvend binnen het Rijk te wonen’ ertoe dat de persoon of personen op welke deze van toepassing is voor de vaststelling van belastingen, toelagen en andere fiscale regelingen niet geacht wordt ingezetene van Nederland te zijn, ook als deze persoon of personen zich fysiek in Nederland bevinden. Het effect is enerzijds dat zij niet onderworpen zijn aan belastingen die afhangen van ingezetenschap en anderzijds dat zij geen aanspraak kunnen maken op

voorzieningen die afhangen van ingezetenschap. Deze fictie is, aldus de Minister, zeer gebruikelijk in (de toepassing van) zetelverdragen. Zo kennen vele zetelverdragen de bepaling dat voor zover het vaststellen van enige vorm van belasting wordt gebaseerd op het ingezetenschap, tijdvakken gedurende welke (de medewerkers van de betreffende volkenrechtelijke organisatie) voor de uitoefening van hun functies aanwezig zijn in het Gastland, niet worden aangemerkt als tijdvakken van ingezetenschap.

4.6.

Ook de Raad is van oordeel dat de zinsnede ‘niet geacht wordt blijvend binnen het Rijk te wonen’, zoals vermeld in van belang zijnde Besluiten aanwijzing volkenrechtelijke organisaties, een juridische fictie omvat die speciaal voor werknemers van internationale organisaties is opgenomen in die Besluiten. Voor het voldoen hieraan is niet van belang of een persoon daadwerkelijk niet blijvend binnen het Rijk woont, maar of hij in de tijdvakken waarover de verzekering wordt vastgesteld, niet geacht kan worden blijvend binnen het Rijk te wonen. Dat betrokkene in de jaren 1971 tot en met 2006 feitelijk in Nederland heeft gewoond, is daarom niet van belang.

4.7.

Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft appellant in het bestreden besluit overwogen dat in twee van de door betrokkene genoemde gevallen een

AOW-pensioen is toegekend, waarbij de perioden waarin bij het [werkgever] is gewerkt als verzekerde tijdvakken in aanmerking zijn genomen. Tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde interne werkinstructie van appellant is duidelijk dat dit slechts incidentele gevallen betreft, die door appellant onjuist zijn beoordeeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad strekt het gelijkheidsbeginsel niet zover dat het bestuursorgaan gehouden is om een in het verleden gemaakte fout te herhalen. De overige in het bestreden besluit genoemde gevallen kunnen niet aangemerkt worden als gelijke gevallen, omdat in die zaken geen AOW-pensioen is toegekend of is aangevraagd. Wat betreft de in hoger beroep nieuw genoemde zeven gevallen is de Raad van oordeel dat betrokkene niet heeft onderbouwd dat deze gevallen vergelijkbaar zijn met die van betrokkene. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt dan ook niet.

4.8.

Dit betekent dat geconcludeerd moet worden dat betrokkene op grond van de KB’s 557 en 575 niet verzekerd is geweest voor de volksverzekeringen vanaf 1 augustus 1971 tot en met 31 december 1977.

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit moet alsnog ongegrond worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 1 februari 2016 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en R.E. Bakker en T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2019.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) R.P.W. Jongbloed

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

md