Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:105

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2019
Datum publicatie
17-01-2019
Zaaknummer
17/8211 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:8999, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdelijke gehele weigering WW-uitkering. Gebleken is dat appellant bij herhaling niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 8211 WW

Datum uitspraak: 9 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
17 november 2017, 16/8166 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.W.E. Ros, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft zich aangesloten bij wat het Uwv in het verweerschrift heeft gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2018. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Ros. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
J.C. Geldof. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.L. de Cocq van Delwijnen-Reedijk en mr. I. Plaisier.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest bij de gemeente Rotterdam. Bij besluit van 17 juli 2014 heeft het Uwv hem per 2 december 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Appellant is daarbij gewezen op zijn sollicitatieplicht. Verder is voor een overzicht van zijn plichten verwezen naar uwv.nl/mijnplichten, de website van het Uwv. De gemeente Rotterdam is als overheidswerkgever op grond van artikel 72a van de WW verantwoordelijk voor de re-integratie van werkloze ex-werknemers. Het Concern Mobiliteitscentrum (CMc) voert de re-integratietaken voor de gemeente uit. Op 15 juni 2015 is appellant gewezen op zijn rechten en plichten. Vermeld zijn daarbij onder meer de verplichting mee te werken aan activiteiten die de re-integratie bevorderen en de verplichting per vier weken ten minste vier sollicitaties te melden aan het CMc en het Uwv. Voorts is appellant erop gewezen dat hij zich moet houden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de WW. Hij is hiervoor verwezen naar de website van het Uwv. Hij heeft op 15 juni 2015 getekend voor de ontvangst van een rechten- en plichtenformulier, waarin het voorgaande is opgenomen.

1.2.

Op 8 september 2015 heeft de gemeente Rotterdam bij het Uwv een melding van verwijtbaar gedrag tijdens re-integratie ingediend. Het Uwv heeft vervolgens, na onderzoek, het besluit van 27 oktober 2015 (primair besluit 1) genomen, waarbij het Uwv de

WW-uitkering met ingang van 5 oktober 2015 voor de duur van vier maanden met 25% heeft verlaagd. Het Uwv heeft appellant daarbij verweten dat hij op 18 augustus 2016 70 minuten te laat op een werkgroepbijeenkomst is verschenen, dat hij onvoldoende blijk heeft gegeven van het ondernemen van activiteiten om aan werk te komen en dat hij in de werkmap geen sollicitaties heeft geplaatst. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.3.

Op 23 november 2015 heeft de gemeente Rotterdam opnieuw een melding verwijtbaar gedrag tijdens re-integratie gedaan. Het Uwv heeft vervolgens, na onderzoek, het besluit van 31 december 2015 (primair besluit 2) genomen, waarbij het Uwv de WW-uitkering met ingang van 28 december 2015 voor de duur van vier maanden heeft verlaagd met 37,5%. Het Uwv heeft appellant daarbij verweten dat hij geen hulp heeft gevraagd om zijn portfolio in te vullen, dat hij niet tijdig op een afspraak is verschenen en dat hij zich zodanig heeft opgesteld dat Unique heeft gemeld geen mogelijkheid te zien om appellant te begeleiden, nu appellant te kennen had gegeven voor zichzelf te willen beginnen en geen interesse had getoond voor een (tussentijds) loondienstverband. Appellant heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.4.

Op 25 januari 2016 heeft de gemeente Rotterdam opnieuw een melding van verwijtbaar gedrag tijdens re-integratie gedaan. Het Uwv heeft hierop bij het besluit van 5 februari 2016 (primair besluit 3) vastgesteld dat het recht op een WW-uitkering niet meer kan worden beoordeeld en de uitkering daarom (tijdelijk) met ingang van 25 januari 2016 stopgezet. Het Uwv heeft daarbij vermeld appellant te verwijten dat hij zonder bericht van verhindering niet is verschenen op een afspraak van 14 december 2015 en verder dat hij niet heeft gereageerd op een e-mailbericht van 6 januari 2015 waarin werd verzocht een nieuwe afspraak te maken. Het Uwv heeft verder vermeld dat appellant werkgroepbijeenkomsten van 8 december 2015,

5 januari 2016 en 19 januari 2016 heeft gemist. In dit besluit is appellant verzocht om een toelichting te geven op de zaken die hem verweten worden. Appellant heeft daarop niet afzonderlijk gereageerd. Wel heeft appellant ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.5.

In de inhoud van het bezwaarschrift dat appellant heeft ingediend tegen primair besluit 3 heeft het Uwv aanleiding gezien de betaling van de uitkering vanaf 25 januari 2016 te hervatten. Deze beslissing is neergelegd in het besluit van 3 mei 2016 (primair besluit 4). Tevens heeft het Uwv in dit besluit geconstateerd dat appellant de verplichtingen om mee te werken aan activiteiten in het kader van de re-integratie opnieuw niet is nagekomen. Het Uwv heeft daarom besloten de uitkering tijdelijk geheel te weigeren van 1 februari 2016 tot en met 31 mei 2016. Het Uwv heeft appellant hierbij verweten dat hij niet heeft gereageerd op het verzoek van de werkgever toe te lichten waarom hij niet is verschenen op een afspraak van

14 december 2015, dat hij op een aanbod voor een gesprek waarom appellant zelf had verzocht niet heeft gereageerd, dat hij op verschillende werkgroepbijeenkomsten niet is verschenen en dat hij ondanks herhaalde verzoeken daartoe zijn portfolio nog altijd niet heeft ingevuld. Ook tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.6.

Bij beslissing op bezwaar van 11 november 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de primaire besluiten 1, 2, 3 en 4 ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

2.2.

De rechtbank heeft over primair besluit 1 overwogen dat appellant inderdaad te laat op de afspraak van 18 augustus 2015 is verschenen en dat hij in de periode van 27 juli 2015 tot

8 september 2015 maar één keer aantoonbaar heeft gesolliciteerd. Appellant heeft volgens de rechtbank geen informatie verstrekt waaruit blijkt dat sprake is van geen of verminderde verwijtbaarheid.

2.3.

Over primair besluit 2 heeft de rechtbank, gelet op het niet invullen van de portfolio, het niet (tijdig) vragen om hulp hierbij, de gang van zaken rond Unique en het niet verschijnen op de werkgroepbijeenkomsten van 24 november 2015 en 8 december 2015, met het Uwv geoordeeld dat appellant onvoldoende heeft meegewerkt aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor de inschakeling in arbeid. Appellant heeft geen concrete en verifieerbare informatie verstrekt waaruit blijkt dat de maatregel ten onrechte is opgelegd of dat er sprake is van geen of verminderde verwijtbaarheid. Er is op juiste gronden recidive aangenomen en er is terecht een maatregel van 37,5% gedurende vier maanden opgelegd.

2.4.

Over primair besluit 3 heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv de uitbetaling van de uitkering terecht heeft geschorst. Na de tweede melding van een verwijtbare gedraging en de opgelegde maatregel(en) is appellant opnieuw afspraken niet nagekomen, waardoor het recht op een uitkering niet kon worden vastgesteld.

2.5.

De rechtbank heeft over primair besluit 4 geoordeeld dat het Uwv bevoegd was om opnieuw een maatregel op te leggen en gelet op de eerder opgelegde maatregelen is dit terecht neergekomen op een tijdelijk gehele weigering met ingang van 1 februari 2016.

Appellant heeft onvoldoende meegewerkt aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor de inschakeling in arbeid. Hij heeft geen gegronde reden gegeven voor het niet verschijnen op afspraken, het niet op correcte wijze aanleveren van zijn portfolio en het niet reageren op het verplaatsen van een afspraak. Van een e-mailhack is niet gebleken.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij redelijkerwijs aan alle verplichtingen heeft voldaan en betwist dat hem enig verwijt kan worden gemaakt. Om te bepalen welk gedrag gesanctioneerd kan worden, moet duidelijk zijn welke verplichtingen op hem rusten. Hij was er niet van op de hoogte dat de sollicitatie-activiteiten zowel bij het Uwv als bij de gemeente Rotterdam moesten worden doorgegeven. Dat werd hem later pas bekend. Dat hij niet is verschenen op de bijeenkomst van 18 augustus 2015 kan hem niet worden tegengeworpen, want het betrof een eenmalige misrekening. Voor het inleveren van zijn portfolio is hij onvoldoende bijgestaan door zijn ex-werkgever. De uitnodiging van zijn ex-werkgever voor 14 december 2015 heeft hij nooit ontvangen vanwege problemen met zijn (gehackte) computer. Hij is zijn verplichtingen tijdig en op juiste wijze nagekomen. Voor het tijdelijk geheel verlagen van de uitkering bestaat geen grondslag. Bovendien wordt dit besluit niet gerechtvaardigd door de feiten en omstandigheden.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar overweging 3 van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt nog toegevoegd artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW, waaruit volgt dat de werknemer verplicht is te voorkomen dat hij werkloos is of blijft doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. Voorts wordt toegevoegd artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Maatregelenbesluit sociale zekerheidswetten, waaruit volgt dat deze verplichting wordt ingedeeld in de derde categorie.

4.2.

De stelling van appellant dat hem niet duidelijk was wat zijn verplichtingen waren, snijdt geen hout. Appellant heeft immers, zoals overwogen in 1.1, getekend voor de ontvangst van het rechten- en plichtenformulier, waarin (onder meer) is vermeld dat hij de verplichting heeft mee te werken aan activiteiten die de re-integratie bevorderen, dat hij viermaal per vier weken dient te solliciteren en dat hij zijn sollicitaties zowel bij het Uwv als bij het CMc moet melden. Daarnaast is appellant ook in het toekenningsbesluit van 17 juli 2014 gewezen op zijn plichten, met daarbij een verwijzing naar de website van het Uwv. Op die website is duidelijk vermeld dat hij zijn sollicitaties moet doorgeven via de werkmap. In het dossier bevindt zich verder een door het college overgelegd intern logboek. Daaruit blijkt onder meer dat appellant ook tijdens het intakegesprek van 15 mei 2015 is gewezen op zijn rechten en plichten, waaronder dat hij moet solliciteren en zijn sollicitatieoverzicht ook bij het Uwv moet inleveren. Appellant is dus op verschillende wijzen gewezen op zijn verplichtingen. Daarom valt niet in te zien dat hij hiervan niet op de hoogte was.

4.3.

Gebleken is dat appellant bij herhaling niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Zo heeft hij in de periode tot 8 september 2015 maar één sollicitatie-activiteit verricht en bleef zijn portfolio leeg. Niet valt in te zien dat appellant niet in staat was zijn portfolio in te vullen. Het college heeft ter zitting toegelicht dat appellant voor het invullen van zijn portfolio inlogcodes heeft ontvangen, waarmee hij via elke computer kon inloggen. Hij was daarbij niet gebonden aan het gebruik van een bepaald e-mailadres. De grond dat hij onvoldoende is bijgestaan bij het aanmaken en invullen van zijn portfolio slaagt niet. Uit het dossier komt niet naar voren dat hij om hulp heeft gevraagd dan wel dat hij die hulp niet zou hebben gekregen. Uit het interne logboek blijkt dat appellant meerdere malen is verzocht om zijn portfolio in te vullen. Van een computer- dan wel e-mailhack is niet gebleken. Daarnaast is appellant op meerdere bijeenkomsten niet of te laat verschenen en heeft hij daar geen goede reden voor gegeven.

5. Gelet op wat onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2019.

(getekend) A.I. van der Kris

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

GdJ