Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1049

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2019
Datum publicatie
29-03-2019
Zaaknummer
17/3377 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3377 ZW

Datum uitspraak: 28 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

20 maart 2017, 16/3105 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Ruiter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2019. Namens appellant is verschenen mr. Ruiter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is in 2008 als heftruckchauffeur betrokken geweest bij een bedrijfsongeval, waarbij hij met zijn hoofd tegen de voorruit van de heftruck terecht is gekomen en zijn neus heeft gebroken. Hierna heeft hij enige tijd een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Vervolgens heeft hij enige tijd een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Vanaf 11 juli 2011 heeft appellant gewerkt als magazijnmedewerker. Uit dat werk is hij op 30 september 2011 uitgevallen met rugklachten. In verband hiermee heeft hij opnieuw een ZW-uitkering gekregen. Bij besluit van 2 januari 2012 heeft het Uwv de ZW‑uitkering van appellant per 1 januari 2012 beëindigd omdat appellant per die datum geschikt was voor zijn maatgevende arbeid. Het bezwaar hiertegen is bij besluit van 21 februari 2012 ongegrond verklaard. Hiertegen is geen rechtsmiddel aangewend.

1.2.

Appellant heeft het Uwv bij brief van 12 november 2015 verzocht terug te komen van het besluit van 2 januari 2012.

1.3.

Bij besluit van 13 juni 2016 heeft het Uwv het verzoek om terug te komen van het

besluit van 2 januari 2012 afgewezen. Aan dit besluit heeft een rapport van een verzekeringsarts van 9 juni 2016 ten grondslag gelegen. Het bezwaar tegen het besluit van 13 juni 2016 is bij besluit van 7 november 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hieraan heeft een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 november 2016 ten grondslag gelegen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar visie voldoende inzichtelijk heeft gemaakt in haar rapport van 7 november 2016. De brief van revalidatiearts dr. A.J. van Dijk van 12 juli 2012 bevat geen nieuwe medische feiten. In wat appellant heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. De omstandigheid dat een whiplashsyndroom is gediagnosticeerd, maakt niet dat er ook sprake is van toename van beperkingen per 1 januari 2012. Hierbij is ook van belang dat er in 2011 een werkhervatting heeft plaatsgevonden.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat wel sprake is van een nieuw feit. De diagnose whiplash is niet eerder gesteld. Pas in 2012 is door de revalidatiearts die diagnose gesteld.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geding is de afwijzing van het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 2 januari 2012, waarin is vastgesteld dat appellant per 1 januari 2012 geen recht meer heeft op ziekengeld.

4.2.

Het Uwv heeft op het verzoek van appellant beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtszoekende heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.3.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.4.

De medische informatie die appellant bij zijn brief van 12 november 2015 heeft gevoegd, te weten de brief van revalidatiearts Van Dijk van 12 juli 2012, kan niet worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit, omdat, zoals de rechtbank al heeft overwogen, de gegevens in die brief al bekend waren en zijn meegewogen bij de beoordeling. De beperkingen die appellant ervaart, waren al bekend bij het Uwv en zijn betrokken bij de beoordeling. Dat er thans een diagnose is gesteld, levert geen nieuw feit op. Gelet hierop is het standpunt van het Uwv dat appellant aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, juist. Dit kan de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit van 2 januari 2012 in beginsel dragen.

4.5.

Ter beoordeling ligt dan nog voor of wat appellant heeft aangevoerd, aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. De Raad stelt vast dat in de stukken geen aanwijzingen zijn voor evidente onredelijkheid. Evidente onredelijkheid is ook niet gesteld of onderbouwd door appellant.

5. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2019.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) W.M. Swinkels

VC