Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1032

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
18/4246 ZW-PV
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:6073, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4246 ZW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 juli 2018, 18/564 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 27 februari 2019

Zitting heeft: mr. B.J. van de Griend

Griffier: J.R. Trox

Ter zitting zijn verschenen: [appellant] (appellant), mr. H.H. Veurtjes (gemachtigde van appellant) en drs. J.C. van Beek (gemachtigde van het Uwv)

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Appellant heeft het Uwv verzocht om terug te komen van zijn besluit van 5 augustus 2014, inhoudende een hersteldverklaring met ingang van 6 augustus 2014 op grond van de Ziektewet. Het Uwv heeft dit verzoek op 29 juni 2017 afgewezen. Bij besluit van

19 december 2017 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.

In de gegevens die zijn overgelegd heeft het Uwv terecht geen nieuwe feiten of omstandigheden gezien zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht. In de brieven van de neuroloog van 1 december 2016 en van 13 december 2016 staat dat de HNP in 2014 niet al te ernstig was. Vermeld is dat in 2016 sprake is van een duidelijke verergering van de HNP, die duidelijk in omvang is toegenomen in vergelijking met de foto van twee jaar daarvoor op 10 april 2014.

Daarmee is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden ten aanzien van de datum in geding 6 augustus 2014. De HNP zoals die zich destijds voordeed, is meegenomen in de beoordeling door het Uwv. Of dat op een juiste wijze is gebeurd ligt nu op zichzelf beschouwd niet ter beoordeling voor. Het gaat nu alleen om de vraag of van nieuwe feiten of omstandigheden sprake is, welke vraag zoals gezegd ontkennend wordt beantwoord.

Dat de neuroloog in de brief van 1 december 2016 spreekt van een “miskende HNP” maakt dat laatste niet anders. Wat er ook van die woorden zij, gelet op wat overigens in de brieven van de neuroloog staat vermeld, rechtvaardigen zij in ieder geval niet de conclusie dat de neuroloog op enigerlei wijze terugkomt van of afstand doet van de wijze waarop de HNP in 2014 is beoordeeld.

De stukken van Aob Compaz dateren eveneens van ruim na de datum in geding 6 augustus 2014.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

J.R. Trox B.J. van de Griend

IvR