Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1031

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
17-3295 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitenlandbijdrage 2012 juist vastgesteld. Appellant heeft in hoger beroep geen gegevens ingestuurd waaruit blijkt dat de buitenlandbijdrage over 2012 niet juist is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3295 ZVW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 juni 2016, 15/4239 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (Turkije) (appellant)

CAK

Datum uitspraak: 27 maart 2019

PROCESVERLOOP

Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze de bevoegdheden uit die voorheen door het Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder CAK mede verstaan Zorginstituut Nederland.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

CAK heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2019. Appellant is niet verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 1950, woonde in 2012 in Turkije en ontving een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en een uitkering van de Stichting Spoorwegpensioenfonds. Vanaf 2015 ontvangt appellant een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet.

1.2.

CAK heeft appellant als verdragsgerechtigde aangemerkt op grond waarvan hij ingevolge het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid recht heeft op zorg in zijn woonland Turkije ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is hij op grond van artikel 69 van de Zorgverzekeringswet een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage).

1.3.

Bij besluit van 12 december 2014 heeft CAK de buitenlandbijdrage over 2012 definitief vastgesteld op € 468,91. Na verrekening met een ingehouden bedrag van € 698,49 heeft CAK bepaald dat aan appellant nog € 243,19 betaald moet worden.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 5 juni 2015 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 december 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Vastgesteld is dat het bestreden besluit ziet op de definitieve buitenlandbijdrage over 2012 en niet op de jaren 1999 tot en met 2005. De grond dat CAK zich op onjuiste informatie van de Belastingdienst heeft gebaseerd omdat teveel is ingehouden op zijn inkomen, heeft de rechtbank verworpen. CAK heeft de berekening van de buitenlandbijdrage gebaseerd op de beschikking van de Belastingdienst tot vaststelling van niet in Nederland belastbaar inkomen (NiNbi-beschikking) en is daaraan gebonden. Appellant heeft geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de berekening van de buitenlandbijdrage onjuist is. De grond van appellant dat hij een te lage uitkering ontvangt slaagt niet omdat het bestreden besluit daar niet op ziet.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en heeft verzocht om schadevergoeding. Daarbij heeft hij (medische) stukken ingezonden om aan te tonen dat zijn arbeidsongeschiktheidspercentage en daarmee zijn uitkering te laag zijn vastgesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de omvang van het geding is beperkt tot de definitieve jaarafrekening van 2012, dat CAK de buitenlandbijdrage over 2012 juist heeft vastgesteld en dat de gronden van appellant over de te lage vaststelling van zijn uitkering geen betrekking hebben op het bestreden besluit.

4.2.

Appellant heeft in hoger beroep geen gegevens ingestuurd waaruit blijkt dat de buitenlandbijdrage over 2012 niet juist is vastgesteld. De gronden van appellant en de door hem ingezonden stukken, waarmee hij (kennelijk) de hoogte van zijn uitkeringen betwist, blijven ook in hoger beroep onbesproken.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak en

- wijst het verzoek tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2019.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) C.I. Heijkoop

GdJ