Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1026

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
15/7570 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag Wajong/AAW-uitkering terecht afgewezen. Risico laattijdige aanvraag. Het standpunt van het Uwv dat er in de voor de AAW relevante periode geen reden was om op basis van de ontwikkelingsstoornis beperkingen aan te nemen, moet worden onderschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 7570 WWAJ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

2 oktober 2015, 15/4313 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 27 maart 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.H. Blom, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met daarbij een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 april 2016.

Appellant heeft een expertiserapport van psychiater H.D.B. Vermeulen van 6 april 2018 aan de Raad gezonden. Hierop is door een verzekeringsarts bezwaar en beroep bij rapport van 10 oktober 2018 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Blom. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren [in] 1978, heeft op 8 december 2014 een aanvraag ingediend voor arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij besluit van

16 februari 2015 heeft het Uwv, na onderzoek door een verzekeringsarts, de aanvraag

afgewezen op de grond dat appellant over arbeidsvermogen beschikt. Bij beslissing op bezwaar van 9 juni 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft overwogen dat de beoordeling van de aanvraag had moeten plaatsvinden op grond van het bepaalde in de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), omdat appellant is geboren in 1978. De rechtbank heeft aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat er onvoldoende medische informatie beschikbaar is om de belastbaarheid van appellant op zijn zeventiende levensjaar te kunnen vaststellen. Uit de beschikbare medische stukken is niet aannemelijk geworden dat appellant vanaf zijn zeventiende levensjaar dusdanige beperkingen heeft ondervonden dat hij niet in staat was, en sindsdien is gebleven, om meer dan 75% van het minimumloon te verdienen. Hierbij is van belang geacht dat appellant regulier onderwijs heeft afgerond, stage heeft gelopen en diverse dienstverbanden heeft gehad. De rechtbank heeft tot slot overwogen dat het nadeel dat de medische situatie van appellant ten tijde van zijn zeventiende verjaardag niet meer met zekerheid kan worden vastgesteld, voor rekening en risico van appellant komt, omdat hij zijn aanvraag ruim 19 jaar na zijn achttiende verjaardag heeft ingediend.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) heeft opgesteld of op andere wijze een inventarisatie heeft gemaakt van zijn mogelijkheden en beperkingen. Omdat de AAW ook recht geeft op een uitkering bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, had een FML moeten worden opgemaakt en moeten worden bezien of er functies konden worden geduid. Het feit dat appellant een laattijdige aanvraag heeft gedaan, betekent niet dat het Uwv in het geheel geen moeite hoeft te doen om de medische situatie op de relevante datum in kaart te brengen. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat er sprake is van een stoornis als gevolg waarvan hij beperkingen in zijn functioneren ondervindt, heeft appellant een expertiserapport ingediend.

3.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat, omdat appellant is geboren in 1978, de beoordeling van zijn aanspraken plaats dient te vinden aan de hand van het bepaalde in de AAW.

4.2.

De rechtbank heeft ook terecht, in navolging van de verzekeringsartsen van het Uwv, overwogen dat er onvoldoende concrete medische informatie beschikbaar is die betrekking heeft op de periode rond het zeventiende en achttiende levensjaar van appellant en dat de bewijslast bij een laattijdige aanvraag als die van appellant naar vaste rechtspraak bij de aanvrager ligt (zie onder meer uitspraken van de Raad van 24 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9240, en van 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6477).

4.3.

Het door appellant in hoger beroep overgelegde rapport van een psychodiagnostisch onderzoek uit 2018 biedt onvoldoende aanknopingspunten om de belastbaarheid op zeventien- en achttienjarige leeftijd vast te stellen. In zijn rapport van 10 oktober 2018 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht opgemerkt dat het door appellant ingediende expertiserapport geen nieuwe medische feiten bevat over die periode. De diagnose autismespectrumstoornis kan leiden tot beperkingen in het functioneren, maar de mate en de ernst van de beperkingen kunnen sterk wisselend zijn. Er is geen informatie uit deze periode die er op wijst dat de autismespectrumstoornis destijds bij appellant beperkingen voor het verrichten van arbeid meebracht. Van belang is in dit verband ook dat appellant in deze periode een middelbareschooldiploma heeft behaald en nadien een vervolgopleiding heeft afgerond.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het standpunt van het Uwv dat er in de voor de AAW relevante periode geen reden was om op basis van de ontwikkelingsstoornis beperkingen aan te nemen, moet worden onderschreven. Er is dan ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2019.

(getekend) E. Dijt

(getekend) L. Boersma

VC