Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1018

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
17/3322 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op grond van de onderzoeksbevindingen vastgesteld dat er weliswaar sprake is van een ziekte, maar dat deze geen beperkingen oplevert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3322 WIA

Datum uitspraak: 27 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

16 maart 2017, 16/5943 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J. Vis hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vis en [X.]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft zich op 9 juni 2008 met psychische klachten ziek gemeld voor zijn

werkzaamheden als all round servicemedewerker. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant met ingang van 13 april 2011 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Met ingang van 13 januari 2014 heeft het Uwv deze uitkering omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering.

1.2.

Op 11 september 2015 heeft een herbeoordeling van de belastbaarheid van appellant

plaatsgevonden. De arts van het Uwv heeft eigen onderzoek verricht en de beschikbare medische informatie, waaronder de informatie van de psychiater van 4 augustus 2015, bij zijn beoordeling betrokken. Omdat hij de belastbaarheid van appellant niet kan vaststellen door een onduidelijk psychisch beeld, heeft de arts aanleiding gezien voor een expertise door psychiater S.G.S. Mulder. Mulder is op basis van haar onderzoek tot de conclusie gekomen dat onvoldoende aanwijzingen zijn gevonden voor het bestaan van psychiatrische stoornissen. De arts heeft Mulder gevolgd in haar conclusies en heeft geen beperkingen aangenomen omdat appellant niet ziek is. Bij besluit van 25 januari 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 26 maart 2016 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat hij niet meer arbeidsongeschikt is.

1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 januari 2016. Bij besluit

van 7 juni 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, ongegrond verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, mede op basis van de in bezwaar ingebrachte medische informatie van behandelend psychiater J.P. Selten, geconcludeerd dat sprake is van ziekte maar heeft geen reden gezien beperkingen voor het functioneren in arbeid aan te nemen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat een zorgvuldig medisch onderzoek is verricht en dat geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de medische grondslag. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verzekeringsartsen van het Uwv appellant psychisch en lichamelijk hebben onderzocht en dat tevens een psychiatrische expertise is verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op grond van de onderzoeksbevindingen vastgesteld dat er weliswaar sprake is van een ziekte, maar dat deze geen beperkingen oplevert. De rechtbank heeft in wat appellant heeft aangevoerd geen aanleiding gezien te oordelen dat zijn beperkingen zijn onderschat. De door appellant ingebrachte medische gegevens, een sociaal medisch advies van een GGD-arts en informatie van de behandelend psychiater, zijn bij de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep betrokken. Over een mogelijke opname van appellant wegens psychische klachten ontbreekt medische informatie. Deze opname kan daarom naar het oordeel van de rechtbank niet dienen als onderbouwing van de stelling van appellant dat zijn beperkingen zijn onderschat.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn belastbaarheid niet juist is vastgesteld. Met name zijn psychische klachten zijn onvoldoende onderkend. Hij stelt dat de informatie van zijn behandelend psychiater, waaruit blijkt dat hij waarschijnlijk lijdt aan een depressieve stoornis met psychotische kenmerken, niet bij de beoordeling is betrokken. Ter onderbouwing van zijn stelling legt appellant een verklaring over van een ambulant begeleider van de GEMIVA-SVG Groep en medische gegevens van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC). Appellant verzoekt de Raad een onafhankelijk deskundige te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht en dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsartsen van het Uwv. Op basis van het expertiserapport van 12 oktober 2015 van psychiater Mulder heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat geen sprake is van ziekte en daarom geen beperkingen voor het verrichten van arbeid aangenomen. Mulder heeft een gedegen onderzoek verricht, dat bestaan heeft uit een psychiatrisch en een neuropsychologisch onderzoek, en haar conclusies inzichtelijk gemotiveerd. Zij wijst er op dat de geclaimde ernstige geheugen- en concentratieproblemen niet overeenkomen met de aard en intensiteit van activiteiten die worden beschreven in het dagverhaal, dat bij het neuropsychologisch onderzoek aanwijzingen zijn gevonden voor onderpresteren en aggraveren en dat bij het psychiatrisch onderzoek geen problemen met aandacht, concentratie en het korte- en langetermijngeheugen zijn waargenomen. Voor het bestaan van een psychiatrische stoornis heeft zij onvoldoende aanwijzingen gevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft behandelend psychiater Selten gevolgd waar deze een depressie met gemaskeerde elementen veronderstelt, maar geen beperkingen voor werk aangenomen. Daarbij heeft hij mede zijn eigen onderzoeksbevindingen betrokken en het gegeven dat de ambulante behandeling van appellant van zeer beperkte omvang is en hij weinig daadwerkelijke steun ontvangt. In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend gemotiveerd dat de behandelend psychiater de bij depressie genoemde symptomen die tot beperkingen kunnen leiden, concentratiestoornissen en hypersomnia, niet heeft onderbouwd.

4.2.

Over de door appellant in hoger beroep overgelegde brief van 24 mei 2017 van een ambulant begeleider van de GEMIVA-SVG Groep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat deze niet is gebaseerd op een psychiatrisch onderzoek, geen nieuwe medische gegevens aangeeft en daarom geen aanleiding geeft voor een ander oordeel. Deze conclusie is te volgen.

4.3.

Appellant heeft in hoger beroep voorts brieven overgelegd van het LUMC van 8 juni 2010 en 11 april 2017 waaruit blijkt dat in 2010 en in 2017 een neuropsychologisch onderzoek (NPO) is verricht. In 2010 werd geconcludeerd tot ernstige concentratiestoornissen en enkele momenten van geheugenzwakte en traagheid in denken en was sprake van een inconsistent NPO-profiel niet passend bij dementie. In 2017 heeft de psychiater geconcludeerd dat ten opzichte van het NPO in 2010 geen sprake is van een verdere cognitieve achteruitgang, dat nog steeds sprake is van ernstige concentratiestoornissen met als bijgevolg gedrukte prestaties op geheugentaken. In een rapport van 4 februari 2019 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep navolgbaar toegelicht dat de als ernstig aangenomen geheugen- en concentratieklachten door de psychiater in de brief van 11 april 2017 nadrukkelijk niet worden toegeschreven aan dementie of aan depressie en het blijft bij ernstige maar inconsistente klachten zonder aanwijsbare oorzaak. Geconcludeerd wordt dat de brieven geen grond bieden voor twijfel aan de vastgestelde medische belastbaarheid door het Uwv. Voor het benoemen van een deskundige zoals door appellant is verzocht is daarom geen aanleiding.

5. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2019.

(getekend) E. Dijt

(getekend) L. Boersma

VC