Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1012

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
02-04-2019
Zaaknummer
18-2274 NIOAW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Exploiteren van hennepkwekerij niet gemeld. Intrekken en terugvorderen NIOAW. Recht is niet vast te stellen in verband met ontbreken administratie. Onevenredigheid terugvordering is niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2274 NIOAW

Datum uitspraak: 26 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

14 maart 2018, 17/6243 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Lavell, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 4 mei 2015 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW).

1.2.

Het college heeft in oktober 2016 informatie van de Nationale Politie eenheid Amsterdam (politie) ontvangen dat in de woning van appellant en in de door appellant gehuurde bedrijfsruimte op 10 oktober 2016 hennepkwekerijen zijn ontmanteld met onderscheidenlijk vijftien hennepplanten en negentien hennepplanten. Naar aanleiding van deze informatie hebben handhavingsspecialisten van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende IOAW-uitkering. In dat kader hebben de handhavingsspecialisten onder meer dossieronderzoek gedaan, kennis genomen van de bevindingen van het onderzoek van de politie en appellant verhoord. Uit de door de politie verstrekte informatie blijkt dat appellant op 11 oktober 2016 heeft verklaard dat hij sinds drie jaar hennep kweekt in zijn woning en sinds twee jaar in zijn bedrijfsruimte. Appellant heeft aan de handhavingsspecialisten een - achteraf opgesteld en handgeschreven - overzicht verstrekt, waarin hij heeft vermeld in welke periodes in 2015 en 2016 hij hennep heeft gekweekt en, per kweek, hoeveel gram hennep dit heeft opgeleverd en welke kosten hij heeft gemaakt. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport uitkeringsfraude van 23 maart 2017.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 10 juni 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 september 2017 (bestreden besluit), de IOAW-uitkering van appellant in te trekken over de periodes van 5 mei 2015 tot en met 30 november 2015, 1 maart 2016 tot en met 31 mei 2016 en 1 augustus 2016 tot en met 10 oktober 2016 (periodes in geding) en de over deze periodes gemaakte kosten van de IOAW-uitkering tot een bedrag van € 14.439,52 bruto van appellant terug te vorderen.

Het college heeft aan het bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd. Op

10 oktober 2016 zijn in de woning en in de bedrijfsruimte van appellant hennepkwekerijen aangetroffen. Daarnaast heeft appellant zelf verklaard dat hij de hennepkwekerijen heeft aangelegd en geëxploiteerd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad worden zowel het verrichten van activiteiten gericht op het starten van een hennepkwekerij als het exploiteren daarvan aangemerkt als omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat dit van invloed kan zijn op het recht op een IOAW-uitkering. Nu appellant geen deugdelijke administratie heeft bijgehouden over de exacte omvang van de kweek, de oogsten en de opbrengsten daarvan kan het recht op een IOAW-uitkering over de door appellant opgegeven perioden niet meer worden vastgesteld. Niet is gebleken van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Als enige beroepsgrond heeft appellant aangevoerd dat de terugvordering lager had moeten uitvallen, nu de laatste oogst van de door hem gekweekte hennepplanten door de politie in beslag is genomen. Daardoor kon appellant redelijkerwijs niet over de opbrengst van deze hennepplanten beschikken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De onder 3 weergegeven beroepsgrond is uitsluitend gericht tegen de terugvordering. Aangezien de intrekking over de periodes in geding niet in geschil is, moet ervan worden uitgegaan dat het college op grond van artikel 17, derde lid, eerste volzin, van de IOAW verplicht was de IOAW-uitkering in te trekken over de periodes in geding. Hieruit vloeit voort dat het college op grond van artikel 25, eerste lid, van de IOAW ook verplicht was de kosten van de IOAW-uitkering over die periodes terug te vorderen van appellant.

4.2.

Voor zover appellant met de onder 3 weergegeven beroepsgrond heeft willen aanvoeren dat de terugvordering niet in verhouding staat tot zijn inkomsten uit de hennepkwekerijen en dus moet worden gematigd, omdat hij geen inkomsten heeft gehad uit zijn laatste kweek, slaagt deze beroepsgrond niet. Aan de intrekking ligt immers ten grondslag dat als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting het recht op IOAW-uitkering - ook over de periode van 1 augustus 2016 tot en met 10 oktober 2016 - niet is vast te stellen wegens het ontbreken van een deugdelijke administratie ter zake van, kort gezegd, de hennepteeltactiviteiten

en -inkomsten van appellant. Het is dus ook niet vast te stellen of en, zo ja, in hoeverre de terugvordering onevenredig hoog is.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2019.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J. Tuit

lh