Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1005

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
17/4375 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:3651, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op een ZW-uitkering omdat appellante weer in staat moest worden geacht met haar medische beperkingen werkzaamheden als administratief medewerkster te verrichten in dezelfde omvang als zij laatstelijk heeft gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4375 ZW

Datum uitspraak: 21 maart 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 mei 2017, 16/5008 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. ir. G.A.S. Maduro hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. drs. ir. Maduro. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op uitzendbasis werkzaam geweest als administratief medewerker voor 36 uur per week. Zij heeft na beëindiging van de werkzaamheden vanaf 7 september 2015 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Vanaf 7 november 2015 heeft het Uwv appellante in aanmerking gebracht voor een zwangerschaps- en bevallingsuitkering (WAZO). Appellante is [in] 2015 via een keizersnede bevallen van haar derde kind.

1.2.

In aansluiting op haar WAZO-uitkering heeft appellante zich per 27 februari 2016 ziekgemeld met buikklachten als gevolg van complicaties bij de operatie direct na haar bevalling. Er was sprake van lekkage uit de blaas in de buik, waarvoor appellante nadat zij op 8 december 2015 met haar zoon het ziekenhuis mocht verlaten, vanaf 9 december 2015 opnieuw een week in het ziekenhuis opgenomen is geweest.

1.3.

Op 23 maart 2016 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft de door appellante vermelde beperkingen van haar fysieke belastbaarheid, gezien de operatieve ingreep en de gevolgen daarvan, plausibel geacht. Bij zijn onderzoek heeft de verzekeringsarts bij appellante geen kenmerken van een psychische stoornis of psychische problematiek kunnen vaststellen. Bij de fysieke beperkingen gaat het volgens de verzekeringsarts om beperkingen voor lang staan, lopen, tillen, trekken, duwen en traplopen. Omdat het eigen administratieve werk dat appellante heeft verricht op deze punten niet belastend was, heeft de verzekeringsarts appellante daarvoor geschikt geacht.

1.4.

Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 23 maart 2016 vastgesteld dat appellante per 30 maart 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 24 juni 2016 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 juni 2016 ten grondslag. Deze heeft appellante gezien en gesproken op een hoorzitting en heeft bij zijn beoordeling de medische informatie van de behandelend gynaecoloog van appellante betrokken.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat er geen medische redenen zijn waarom appellante haar maatgevende arbeid van administratief medewerkster op 30 maart 2016 niet zou kunnen verrichten. Appellante was op dat moment niet onder behandeling en heeft volgens de rechtbank haar standpunt dat zij in verband met haar psychische en lichamelijke beperkingen niet kon werken onvoldoende onderbouwd.

3.1.

Appellante kan zich niet verenigen met de overwegingen van de rechtbank nu haar ervaring van haar klachten niet strookt met de door de rechtbank gevolgde conclusies van de verzekeringsartsen met betrekking tot haar beperkingen. De traumatische ervaring van de bevalling is door het Uwv onvoldoende erkend. De verwijzing naar het Erasmusziekenhuis laat zien dat een medische eindtoestand niet is bereikt en een eventuele arbeidsgeschiktheid niet had mogen worden vastgesteld. Appellante stelt voorts dat de verzekeringsarts geen concrete en deugdelijke afweging heeft gemaakt van de feiten en omstandigheden, nu hij enerzijds erkent dat de bevalling traumatisch is geweest en appellante fysieke beperkingen ondervindt, maar anderzijds tot arbeidsgeschiktheid per 30 maart 2016 concludeert. Ter zitting heeft appellante bevestigd dat zij in november 2016 weer is gaan werken en dat haar klachten en beperkingen toen waren afgenomen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het Uwv terecht heeft beslist dat appellante vanaf 30 maart 2016 geen recht meer had op een ZW-uitkering omdat zij weer in staat moest worden geacht met haar medische beperkingen werkzaamheden als administratief medewerkster te verrichten in dezelfde omvang als zij laatstelijk heeft gedaan. De verzekeringsarts heeft appellante gezien, gesproken en onderzocht op een spreekuur en de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de hoorzitting. De verzekeringsartsen hebben de beschikking gehad over de medische informatie van de behandelend gynaecoloog van appellante en waren op de hoogte van de aard van de bevalling, van de daarop volgende operatie en van de gevolgen voor appellante van deze zware ingrepen. De verzekeringsartsen hebben in hun rapporten uitgelegd waarom zij van mening zijn, hoewel appellante nog duidelijke beperkingen had, dat zij in staat moest worden geacht om haar oude werk weer te verrichten. Daarbij hebben zij nadrukkelijk betrokken dat het werk van appellante niet fysiek belastend was. De rapporten van de verzekeringsartsen geven er blijk van dat een zorgvuldig onderzoek is ingesteld en dat alle beschikbare en relevante aspecten bij de beoordeling zijn afgewogen.

4.3.

Het standpunt dat appellante weer in staat was haar werkzaamheden te verrichten is door de verzekeringsartsen in hun rapporten kenbaar en adequaat onderbouwd. Appellante heeft daar tegenover gesteld, dat zij per eind maart 2016 nog niet voldoende hersteld was van de zware bevalling en de aansluitende operatie met complicaties. Zij heeft erop gewezen dat het erg ingrijpend is geweest en dat zij lichamelijk en psychisch nog zoveel klachten had, dat werken nog niet mogelijk was. Zij heeft ook gewezen op het feit dat zij voor haar buikklachten eind mei 2016 nog is verwezen naar het Erasmus MC, zoals ook blijkt uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Zij heeft echter geen informatie daarover overgelegd, niet van het ziekenhuis en ook niet van haar huisarts. Ook haar stelling dat zij duidelijke psychische klachten had heeft appellante niet verder onderbouwd en onduidelijk is gebleven of appellante daarvoor professioneel is behandeld.

4.4.

Gelet op de zware bevalling en aansluitende operatie met complicaties, is het op zich goed te begrijpen dat appellante meent dat zij op 30 maart 2016 nog niet in staat was om te werken. De verzekeringsartsen hebben echter op basis van hun eigen onderzoek en van alle informatie van de behandelend artsen hierover, overtuigend onderbouwd dat appellante desondanks in staat moest worden geacht haar vroegere niet belastende functie uit te oefenen. Omdat wat appellante daar tegenover heeft gesteld onvoldoende is voor gegronde twijfel aan het standpunt van de verzekeringsartsen, heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het besluit van het Uwv in stand kan blijven.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2019.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) M.A.E. Lageweg

VC