Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:997

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
15/3664 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Duuraanspraak. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante als gezinslid van haar vader, die wel de hoedanigheid van werknemer heeft, de Wajong-uitkering naar Turkije kan exporteren. Toetsing aan Besluit 3/80. Geen export uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 3664 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

22 april 2015, 14/3913 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 5 april 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N. Türkkol, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 14/6438 WAJONG, 15/7480 WWAJ en 15/6298 WWAJ plaatsgevonden op 22 februari 2018. Namens appellante is mr. Türkkol verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen en

mr. drs. J. Hut.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [in] 1975 met een verstandelijke beperking, heeft de Turkse nationaliteit en ontvangt sinds 15 mei 1993 een uitkering, oorspronkelijk op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en sinds 1998 op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Appellante is woonachtig bij haar ouders, verblijft overdag in een dagverblijf en heeft nooit in loondienst gewerkt. Haar ouders willen naar Turkije terugkeren met behoud van de Wajong-uitkering van hun dochter. Nadat het Uwv twee eerdere vergelijkbare verzoeken had afgewezen, heeft appellante bij brief van 1 april 2014 een nieuw verzoek ingediend om met behoud van haar uitkering te mogen verhuizen naar Turkije. Daarbij is verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 26 mei 2011, Akdas e.a., C-485/07.

1.2.

Bij besluit van 12 mei 2014 heeft het Uwv het verzoek van appellante afgewezen onder de overweging dat Besluit 3/80 van de Associatieraad van 19 september 1980, betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen van de Lid-Staten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden, PB 1983, C110, bl. 60 (Besluit 3/80) alleen van toepassing is op werknemers en hun gezinsleden voor zover deze binnen de Europese Unie wonen. Bij besluit van 24 november 2014 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden en evenmin van gewijzigd beleid of veranderde regelgeving.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd. Verder is niet gebleken van nieuw beleid of (nieuwe) medische informatie.

3. In hoger beroep heeft appellante zich wederom beroepen op artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80. Nu sinds het eerdere verzoek geruime tijd is verstreken en het verzoek bovendien betrekking heeft op een duuraanspraak, had de rechtbank volgens appellante niet mogen volstaan met de toets of appellante nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd. Appellante meent dat zij zwaarwegende redenen heeft om Nederland te verlaten. In haar visie staat voldoende vast dat haar ouders genoodzaakt zijn om naar Turkije te verhuizen en is zij geheel afhankelijk van haar ouders.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Zoals besproken ter zitting zal de Raad het bestreden besluit aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetsen als ware dit het eerste besluit op het verzoek van appellante om haar Wajong uitkering naar Turkije te mogen exporteren.

4.2.

Ter zitting is gebleken dat appellante zich niet (langer) op het standpunt stelt dat de intrekking van de Wajong-uitkering na een eventuele verhuizing naar Turkije leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Tussen partijen is dus niet in geschil dat het Uwv de hardheidsclausule verwoord in artikel 3:19, negende lid, van de Wajong 2010 niet op appellante behoeft toe te passen.

4.3.

Partijen verschillen van mening over de vraag of appellante op grond van artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 aanspraak kan maken op export van haar Wajong-uitkering naar Turkije. Daarbij staat vast dat appellante niet de hoedanigheid heeft van werknemer in de zin van artikel 2, eerste gedachtestreepje, van Besluit 3/80. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante als gezinslid van haar vader, die wel de hoedanigheid van werknemer heeft, de Wajong-uitkering naar Turkije kan exporteren.

4.4.

Artikel 2 van Besluit 3/80 luidt als volgt:

Dit besluit is van toepassing:

− op werknemers op wie de wetgeving van een of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van Turkije zijn,

− op de gezinsleden van deze werknemers die op het grondgebied van een van de Lid-Staten

− wonen,

− op de nagelaten betrekkingen van deze werknemers.

4.5.

Uit deze bepaling blijkt dat gezinsleden van werknemers die zelf geen werknemer zijn, zich slechts op Besluit 3/80 kunnen beroepen als zij op het grondgebied van één van de lidstaten wonen. Zodra zo’n gezinslid naar Turkije verhuist, wordt niet meer aan deze voorwaarde voldaan en kan het gezinslid zich dus niet meer op Besluit 3/80 beroepen.

4.6.

Voor de stelling van appellante dat slechts de woonplaats van het gezinslid vlak vóór de verhuizing naar Turkije van belang is, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden. Daarbij is van belang dat artikel 3:19, eerste lid, onder c, van de Wajong, op grond waarvan het recht op uitkering eindigt wanneer de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, gedurende de volledige theoretische looptijd van de uitkering van toepassing is. Deze bepaling kan slechts wegens strijd met een bepaling van internationaal of supranationaal recht buiten toepassing worden gelaten zolang die laatste bepaling daadwerkelijk op de betrokkene van toepassing is. Dat is niet meer het geval zodra appellante buiten het grondgebied van de lidstaten woont.

4.7.

Reeds wegens het gestelde onder 4.1 tot en met 4.6 moet de aangevallen uitspraak – met verbetering van de gronden – worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2018.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) H. Achtot

OS