Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:996

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
15/6289 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om met behoud van uitkering te mogen verhuizen naar Turkije, omdat de ouders voornemens zijn naar Turkije te verhuizen en appellant afhankelijk is van de zorg van zijn ouders en zijn tweelingbroer. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank kan appellant zich, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 14 januari 2015, Demirci e.a., C-171/13, op grond van het feit dat hij ook de Turkse nationaliteit heeft niet beroepen op artikel 6 van Besluit 3/80 van de Associatieraad EG/Turkije (Besluit 3/80). Verder is overwogen dat onvoldoende is gebleken dat de verhuizing van de ouders en de tweelingbroer van appellant naar Turkije noodzakelijk is in de zin van artikel 2, aanhef en onder c, van het Besluit Beleidsregels en dat ook overigens geen sprake is van zwaarwegende redenen als bedoeld in artikel 2 van het Besluit Beleidsregels. Herhaling gronden in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/778
ABkort 2018/161
USZ 2018/147
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 6289 WWAJ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

10 augustus 2015, 14/7749 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 5 april 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Türkkol, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft mr. Türkkol nog enige stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 14/6438 WAJONG, 15/7480 WWAJ en 15/3664 WAJONG plaatsgevonden op 22 februari 2018. Namens appellant is mr. Türkkol verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen en

mr. drs. J. Hut.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1991, heeft de Turkse en de Nederlandse nationaliteit. Hij is bekend met een lichte verstandelijke beperking en een ontwikkelingsstoornis. Het Uwv heeft met ingang van 12 januari 2009 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998) aan appellant toegekend. In mei 2014 heeft appellant bij het Uwv een verzoek ingediend om met behoud van zijn uitkering te mogen verhuizen naar Turkije, omdat zijn ouders voornemens zijn naar Turkije te verhuizen en hij afhankelijk is van de zorg van zijn ouders en zijn tweelingbroer.

1.2.

Bij besluit van 27 juni 2014 heeft het Uwv het verzoek van appellant afgewezen. Daarbij is verwezen naar een rapport van een verzekeringsarts van het Uwv, waarin wordt overwogen dat appellant voor begeleiding en structuur afhankelijk is van derden, zoals zijn ouders, maar dat er voor de ouders geen dringende redenen zijn om in Turkije te gaan wonen.

1.3.

Bij besluit van 26 november 2014 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 27 juni 2014 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat er geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 2 van het Besluit Beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland (Stcrt. 2 mei 2003, nr. 84, blz. 17, nadien gewijzigd; Besluit Beleidsregels).

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank kan appellant zich, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 14 januari 2015, Demirci e.a., C-171/13, op grond van het feit dat hij ook de Turkse nationaliteit heeft niet beroepen op artikel 6 van Besluit 3/80 van de Associatieraad EG/Turkije (Besluit 3/80). Verder is overwogen dat onvoldoende is gebleken dat de verhuizing van de ouders en de tweelingbroer van appellant naar Turkije noodzakelijk is in de zin van artikel 2, aanhef en onder c, van het Besluit Beleidsregels en dat ook overigens geen sprake is van zwaarwegende redenen als bedoeld in artikel 2 van het Besluit Beleidsregels.

3. In hoger beroep heeft appellant zich wederom beroepen op artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80. Verder meent appellant dat hij zwaarwegende redenen heeft om Nederland te verlaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Tussen partijen is allereerst in geschil of appellant op grond van artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 aanspraak kan maken op export van zijn Wajong-uitkering naar Turkije. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of appellant, die de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen zonder afstand te doen van de Turkse nationaliteit, zich met een beroep op Besluit 3/80 kan verzetten tegen het woonplaatsvereiste, waarvan artikel 3:19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wajong 2010 het ontvangen van de Wajong-uitkering afhankelijk stelt.

4.1.2.

In het arrest van 14 januari 2015, C-171/13, Demirci e.a., heeft het Hof geoordeeld dat burgers van een lidstaat die de nationaliteit van deze staat hebben verkregen, zonder dat zij afstand hebben gedaan van de Turkse nationaliteit, zich niet met een beroep op

Besluit nr. 3/80 kunnen onttrekken aan het woonplaatsvereiste waarvan de wettelijke regeling van deze staat een uitkering, als in die procedure aan de orde, afhankelijk stelt. Daarbij heeft het Hof nog benadrukt dat niets rechtvaardigt dat een Turks staatsburger wiens juridische status noodzakelijkerwijs is gewijzigd op het ogenblik waarop hij de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst heeft verkregen, door deze staat voor de uitkering van een prestatie als die van het hoofdgeding niet volledig als een eigen burger zou worden behandeld.

4.1.3.

De rechtbank heeft op grond van dit arrest terecht geconcludeerd dat appellant, die naast de Turkse ook de Nederlandse nationaliteit heeft, zich niet kan beroepen op artikel 6 van Besluit 3/80 om zich te verzetten tegen het woonplaatsvereiste als bedoeld in artikel 3:19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wajong 2010, dat ook van toepassing is op Unieburgers.

4.2.1.

Voorts is tussen partijen in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat in het geval van appellant geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard, zodat de weigering van het Uwv om toepassing te geven aan de in artikel 3:19, negende lid, van de Wajong 2010 opgenomen hardheidsclausule in rechte stand kan houden.

4.2.2.

Artikel 3:19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wajong 2010 bepaalt dat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen. Het Uwv kan dit zogeheten exportverbod van een Wajong-uitkering op grond van het negende lid van dit artikel (de zogeheten hardheidsclausule) buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2.3.

In het Besluit Beleidsregels is in artikel 2 bepaald dat van een onbillijkheid van overwegende aard sprake is indien de jonggehandicapte zwaarwegende redenen heeft om buiten Nederland te gaan wonen en naar verwachting als gevolg van het beëindigen van het recht op arbeidsondersteuning of arbeidsongeschiktheidsuitkering aanmerkelijk nadeel zal ondervinden. Als zwaarwegende redenen worden in ieder geval aangemerkt:

a. het ondergaan van een medische behandeling van enige duur;

b. het aanvaarden van arbeid met enig re-integratieperspectief;

c. het volgen van de woonplaats van degene(n) van wie de jonggehandicapte voor zijn verzorging afhankelijk is en die genoodzaakt is om buiten Nederland te gaan wonen.

4.2.4.

In de toelichting bij het Besluit Beleidsregels is vermeld dat de hardheidsclausule steeds aan de hand van de omstandigheden van het individuele geval moet worden toegepast en dat er ook in andere dan de drie hiervoor genoemde situaties grond kan zijn voor toepassing van de hardheidsclausule. Daarom moet in alle gevallen beoordeeld worden of sprake is van zwaarwegende redenen en of het beëindigen van de uitkering een aanmerkelijk nadeel betekent. In de toelichting is verder bepaald dat de redenen waarom de verzorgende personen buiten Nederland gaan wonen objectief en dwingend van aard moeten zijn, en dus niet in overwegende mate gebaseerd op een eigen keuze.

4.2.5.

In het midden wordt gelaten dat appellant voor zijn verzorging afhankelijk is van zijn ouders en zijn tweelingbroer, nu dit tussen partijen niet in geschil is. Beoordeeld moet worden of de ouders van appellant en zijn tweelingbroer genoodzaakt waren om naar Turkije te verhuizen.

4.2.6.

De wens van de ouders om terug te keren naar Turkije is, mede gezien hun leeftijd, het gestelde gunstige effect van de sociaal-culturele omgeving aldaar op hun gezondheidstoestand en de nabijheid van familieleden, geenszins onbegrijpelijk. Dit kan echter niet wegnemen dat de verhuizing in overwegende mate op de eigen keuze is gebaseerd zonder dat van een objectieve en dwingende noodzaak daartoe is gebleken. Er is daarom geen sprake van een zwaarwegende reden als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder c, van het Besluit Beleidsregels. Dit nog afgezien van het feit dat ten aanzien van de tweelingbroer van appellant in het geheel niet is gebleken waarom hij genoodzaakt zou zijn te verhuizen naar Turkije.

4.2.7.

Ook anderszins is niet gebleken van zwaarwegende redenen om toepassing te geven aan de hardheidsclausule van artikel 2 van het Besluit Beleidsregels. Daarbij is van belang dat blijkens de wetsgeschiedenis het exportverbod van Wajong-uitkeringen het uitgangspunt is en dat de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke situaties toepassing kan vinden, welke door het Uwv enerzijds expliciet zijn genoemd in het Besluit Beleidsregels en voor het overige moeten voldoen aan de voorwaarden dat een noodzaak bestaat voor het wonen buiten Nederland op gronden die objectief en dwingend van aard zijn. De invulling die het Uwv in zijn Besluit Beleidsregels aan de toepassing van de hardheidsclausule heeft gegeven, wordt niet onjuist of onredelijk geacht.

4.3.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2018.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) H. Achtot

OS