Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:995

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
16/7380 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:9060, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende procesbelang. De rechtbank heeft met juistheid het beroep tegen bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard onder de overweging dat appellante in de periode tot en met 21 december 2015 de voor de Wet WIA toepasselijke wachttijd van 104 weken heeft doorlopen, dat zij in die periode onafgebroken het maximale recht op ZW-uitkering heeft genoten en dat daarmee het voor appellante maximale resultaat is bereikt. De medische en arbeidskundige beoordeling met betrekking tot een bepaalde datum heeft alleen betekenis voor de beoordeling van het recht op die datum. De WIA-beoordeling ziet op een andere datum en kent een eigen beoordelingskader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7380 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
25 november 2016, 15/6915 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 28 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2018. Partijen zijn – met kennisgeving – niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als verzorgende voor 32 uur per week. Haar dienstverband is op 1 augustus 2013 geëindigd. Op 21 december 2013 heeft zij zich ziek gemeld met lichamelijke klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft een verzekeringsarts appellante op 4 november 2014 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van

6 november 2014. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens zes functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 82,41% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 17 december 2014 vastgesteld dat appellante met ingang van 21 januari 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

1.3.

Bij besluit van 29 september 2015 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 december 2014 Uwv ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

1.4.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Tijdens deze beroepsprocedure heeft het Uwv bij besluit van 8 februari 2016 (bestreden besluit 2) bestreden besluit 1 gewijzigd, het bezwaar van appellante tegen het besluit van

17 december 2014 gegrond verklaard en dat besluit herroepen.

2. De rechtbank heeft de beroepen van appellante tegen de beide bestreden besluiten

niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen procesbelang bestaat. Met betrekking tot het bestreden besluit 2 heeft de rechtbank hiertoe overwogen dat is gebleken dat appellante in de periode tot en met 21 december 2015 de voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toepasselijke wachttijd van 104 weken heeft doorlopen. Daarnaast heeft appellante in die periode, onafgebroken, het maximale recht op ZW-uitkering genoten. Met het verzoek van appellante inhoudelijk in te kunnen gaan op de medische en arbeidskundige rapportages kan geen ander resultaat worden bereikt. Aldus kan naar het oordeel van de rechtbank van enig procesbelang bij bestreden besluit 2 niet blijken. Het standpunt van appellante dat de medische en arbeidskundige rapportages niet openstaan voor heroverweging terwijl zij wel als uitgangspunt worden gebruikt bij de nog plaats te vinden WIA-beoordeling maken dit niet anders. De WIA-beoordeling in het kader van de einde wachttijd kent een eigen beoordelingskader, waarbij een nieuwe medische en arbeidskundige beoordeling plaatsvindt. Dat door de huidige werkwijze van het Uwv in het dossier vermeld blijft staan dat appellante per 21 januari 2015 in staat is om meer dan 65% te verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd, is een louter formeel belang dat geen procesbelang oplevert, aldus de rechtbank.

3. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Zij betoogt dat de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu zij wel procesbelang heeft. Appellante betwist nog altijd de juistheid van het medisch en arbeidskundig oordeel en zij heeft aangevoerd dat er ook voldoende procesbelang aanwezig is als er alleen een medisch en arbeidskundig belang is. De Raad heeft in de uitspraken van

9 februari 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BP3990) en 24 februari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:873) geoordeeld dat procesbelang ook kan zijn gelegen in de omstandigheid dat een inhoudelijk oordeel van de bestuursrechter kan worden betrokken bij eventuele toekomstige aanvragen van betrokkene. Daarvan is hier (dus) sprake. Appellante stelt verder dat bij de WIA-beoordeling geen op zichzelf staande medische en arbeidskundige beoordeling wordt verricht. De beoordelingen grijpen altijd op elkaar terug.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2805) is pas sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of (hoger)beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid het beroep tegen bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard onder de overweging dat appellante in de periode tot en met 21 december 2015 de voor de Wet WIA toepasselijke wachttijd van 104 weken heeft doorlopen, dat zij in die periode onafgebroken het maximale recht op ZW-uitkering heeft genoten en dat daarmee het voor appellante maximale resultaat is bereikt. De medische en arbeidskundige beoordeling met betrekking tot een bepaalde datum heeft alleen betekenis voor de beoordeling van het recht op die datum. De WIA-beoordeling ziet op een andere datum en kent een eigen beoordelingskader. Het staat appellante vrij om voor een beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid per díe datum in geding alle medische en arbeidskundige bezwaren aan de orde te stellen, ook de bezwaren die in de onderhavige procedure zijn aangevoerd. Zie voor een vergelijkbaar geval bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 7 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4675). De door appellante aangehaalde uitspraken handelen over aanvragen ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Daarin heeft de Raad geoordeeld dat het belang van een betrokkene bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van een besluit ook kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijk oordeel van de Raad kan worden betrokken bij eventuele toekomstige aanvragen om vergelijkbare zorg ingevolge de AWBZ. Reeds nu het in die procedures – anders dan in het onderhavige geval – ging om aanvragen met eenzelfde beoordelingskader, missen deze uitspraken hier toepassing. Dat ZW- en WIA-beoordelingen altijd op elkaar teruggrijpen is een niet onderbouwd standpunt van appellante over de feitelijke werkwijze van het Uwv en staat haaks op de wettelijke beoordelingssystematiek en voornoemde rechtspraak.

5. Uit de overwegingen 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor toewijzing van het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade is daarom geen grond.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van
J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2018.

(getekend) A.T. Kwaasteniet

(getekend) J.R. Trox

RH