Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:986

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
09-04-2018
Zaaknummer
16/7354 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:7295, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand voor kosten homeopathische middelen terecht afgewezen. Beroep op dringende redenen slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7354 PW

Datum uitspraak: 3 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 november 2016, 16/3995 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Ergec, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken overgelegd.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ergec. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E.P.C. van der Bom.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 10 februari 2016 bijzondere bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) aangevraagd voor de kosten van homeopathische middelen. Hij heeft daarbij een medicatieoverzicht gevoegd waarop is vermeld: probiotica, super groene thee vetverbrander, chlorella spirulina, vitamine D3, Koreaanse ginseng, super visolie omega 3-6, ginseng, libido plus, mega B50, L-arginine, L-ornithine, L-lysine, creatine ethyl ester AKG, vitamine c en multivitaminen (hierna tezamen aangeduid met: homeopathische middelen).

1.2.

Het college heeft bij besluit van 1 april 2016, na bezwaar gehandhaafd bij

bij besluit van 25 mei 2016 (bestreden besluit), de aanvraag van appellant afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat voor de kosten van geneesmiddelen de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) moeten worden aangemerkt als voorliggende voorzieningen in de zin van artikel 15 van de PW, zodat die bepaling aan verlening van de verzochte bijstand in de weg staat. Verder heeft het college zich op het standpunt gesteld dat in dit geval geen sprake is van een zeer dringende reden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW om toch bijzondere bijstand voor de door appellant bedoelde kosten te verlenen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant voert aan dat wel dringende redenen aanwezig zijn om de bijzondere bijstand te verlenen. Uit de door hem overgelegde medische informatie blijkt dat appellant heeft te kampen met ernstige psychische problematiek en dat een conventionele aanpak niet werkt. Appellant kampt met suïcidale gevoelens, maar van conventionele medicatie ondervindt hij ernstige bijwerkingen waardoor hij therapie-ontrouw is. De homeopathische middelen verlichten enigszins zijn lijdensdruk, waardoor de suïcidale gevoelens verminderen. Daarnaast doet appellant een beroep op het vertrouwensbeginsel. Hij wijst erop dat een mededeling op de website van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Brabantse Wal (ISD) de reden is geweest voor de aanvraag om bijzondere bijstand. Appellant mocht er op grond van de daar verstrekte informatie op vertrouwen dat hij in aanmerking kwam voor bijzondere bijstand. Tot slot heeft appellant naar voren gebracht dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan bijzondere bijstand met terugwerkende kracht dient te worden verleend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de PW bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

4.2.

Niet in geschil is dat deze bepaling aan toewijzing van de aanvraag van appellant in de weg staat. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college desondanks de verzochte bijzondere bijstand voor – zoals appellant ter zitting heeft toegelicht – de kosten van de onder 1.1 vermelde middelen had moeten toekennen.

4.3.

Artikel 16, eerste lid, van de PW biedt de mogelijkheid om in afwijking van onder meer artikel 15 van de PW, bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 1 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK6576) is van zeer dringende redenen slechts sprake in geval van een acute noodsituatie, dat wil zeggen een situatie die van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig lichamelijk of psychisch letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben.

4.4.

De beroepsgrond dat het college appellant op grond van zeer dringende redenen in aanmerking diende te brengen voor bijzondere bijstand in de kosten van de homeopathische middelen slaagt niet.

4.4.1.

Appellant heeft ter onderbouwing van deze beroepsgrond verwezen naar een brief van

1 februari 2016 van basisarts J.L.M. Thier (Thier) en sociaal psychiatrisch verpleegkundige

[A], beiden werkzaam bij GGZ Westelijk Noord-Brabant, een brief van 6 november 2017 van huisarts E.M. Bultman (Bultman), een brief van 18 mei 2017 van Bultman en een brief van 10 augustus 2016 van Thier en verpleegkundige E. van Haaften, eveneens werkzaam bij GGZ Westelijk Noord-Brabant. Uit de brieven is af te leiden dat appellant meerdere ernstige psychische aandoeningen heeft, waaronder schizofrenie, een posttraumatische- stressstoornis en een persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast volgt uit de brieven dat appellant de afgelopen jaren verschillende conventionele medicatie heeft uitgeprobeerd, dat hij daarbij last had van ernstige bijwerkingen waardoor de therapietrouw achterwege bleef en dat appellant rust ervaart bij het gebruik van een combinatie van alternatieve middelen. Uit de brieven volgt echter niet dat indien appellant geen homeopathische middelen gebruikt, een situatie ontstaat die voor appellant levensbedreigend is of die blijvend ernstig lichamelijk of psychisch letsel of invaliditeit tot gevolg heeft. Uit de brieven blijkt met name niet dat in dat geval suïcidegevaar dreigt. Het college betwist niet dat appellant, zoals hij zelf zegt, baat heeft bij het gebruik van homeopathische middelen. Deze beleving van appellant brengt echter op zichzelf niet mee dat aannemelijk is dat een acute noodsituatie zoals bedoeld onder 4.3 aan de orde is of dreigt te komen, wanneer hij die middelen niet gebruikt.

4.4.2.

Appellant heeft ter onderbouwing van deze beroepsgrond tevens verwezen naar een door hem zelf geschreven e-mailbericht van 24 mei 2017. In dit bericht staat: “Alternatieve medicatie is bittere noodzaak om de aandoeningen niet geheel de overhand te laten krijgen; kortom het helpt met controle houden en vooral wat betreft suïcidale gevoelens doordat de reguliere die deze rol zouden moeten vervullen al sinds 1999 hun beoogde werking missen en juist de barrière versmallen voor wat betreft suïcidaliteit en hetzelfde geldt in het geval van het uitblijven of voor een deel - ervan van noodzakelijke alternatieve medicatie.” Daaronder is met de hand geschreven “Boris Dubrovskin psychiater Mozaak”. Aan dit e-mailbericht kan niet de betekenis worden gehecht die appellant hieraan toekent. Niet is immers bekend wie de tekst onder het e-mailbericht heeft geplaatst. Voorts is niet bekend of Dubrovskin een behandelend psychiater van appellant is. Tot slot ontbreekt enige medische onderbouwing van de inhoud van het bericht.

4.4.3.

Ook overigens bevinden zich onvoldoende aanknopingspunten in het dossier dat de verstrekking van bijzondere bijstand voor de aanschaf van de homeopathische middelen onvermijdelijk is om te voorkomen dat appellant in een acute noodsituatie geraakt. Uit de gedingstukken blijkt slechts dat appellant de conventionele medicatie niet wil nemen omdat hij er geen vertrouwen in heeft wegens de bijwerkingen ervan en dat hij enige baat heeft bij de homeopathische middelen. Dit is niet toereikend om een zeer dringende reden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW aan te nemen.

4.5.

Gelet op 4.1 tot en met 4.4 was het college niet bevoegd om appellant bijzondere bijstand toe te kennen voor de kosten van de homeopathische middelen.

4.6.

Gelet op het voorgaande slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet. Naar aanleiding van wat appellant hierover heeft aangevoerd zij er voorts op gewezen dat een beroep op het vertrouwensbeginsel volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735) alleen kan slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Appellant stelt niet dat zodanige toezegging hem is gedaan. Voorts is op de website van de ISD waarnaar hij heeft verwezen slechts vermeld: “De gemeente kan besluiten toch bijzondere bijstand toe te kennen voor zelfzorgmiddelen bij een chronische aandoening en heeft daarover het volgende bepaald [….].” Daargelaten dat het hier algemene informatie betreft die niet te snel als een de ISD bindende uitlating mag worden opgevat, blijkt uit deze informatie niet dat de aanvraag van appellant moet worden toegekend. Er staat in de tekst immers “kan besluiten” en niet “moet besluiten”.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2018.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) F. Dinleyici

HD