Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:985

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
09-04-2018
Zaaknummer
16/5295 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding. Vordering in verband met onrechtmatige besluiten 2006 en 2007 verjaard. Schade als gevolg van verhuizing niet toe te rekenen aan college in verband met onrechtmatige besluiten 2010 en 2011. Geen causaal verband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0345
JWWB 2018/120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5295 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 5 juli 2016, 16/603 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van [plaatsnaam 2] (college)

Datum uitspraak: 3 april 2018

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2018. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door N.H. Wichard.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving in de gemeente [plaatsnaam 2] bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij besluit van 7 november 2006, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 februari 2007, heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 18 oktober 2006 gedurende één maand verlaagd met 20% (maatregel) op de grond dat appellant niet of onvoldoende had meegewerkt aan een onderzoek tot arbeidsinschakeling. Bij uitspraak van 11 september 2007 heeft de rechtbank [plaatsnaam 2] het beroep tegen het besluit van 8 februari 2007 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het college opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank waren het besluit waarbij het college appellant de verplichting had opgelegd mee te werken aan een re-integratietraject en de daarop volgende maatregel onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Dit geldt ook voor de beslissing op bezwaar van

8 februari 2007. Bij besluit van 17 oktober 2007 heeft het college de maatregel herroepen en meegedeeld dat appellant een nabetaling ter hoogte van de maatregel zou ontvangen, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente.

1.3.

Bij besluit van 18 oktober 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 februari 2011, heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 oktober 2010 gedurende één maand verlaagd met 100% op de grond dat appellant niet had meegewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden om deel te nemen aan een traject, gericht op het vinden van werk of scholing. Bij besluit van 18 november 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

22 februari 2011, heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2010 gedurende twee maanden verlaagd met 100% op de grond dat appellant wederom niet had meegewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden om deel te nemen aan een traject, gericht op het vinden van werk of scholing. Bij besluit van 27 januari 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 mei 2011, heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2011 gedurende drie maanden verlaagd met 100% op de grond dat appellant wederom niet had meegewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden om deel te nemen aan een traject gericht op het vinden van werk of scholing. De rechtbank [plaatsnaam 2] heeft bij uitspraak van 30 mei 2012 de beroepen tegen de beslissingen op bezwaar over deze maatregelen gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en de besluiten van 18 oktober 2010, 18 november 2010 en 27 januari 2011 herroepen. Bij uitspraak van 3 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2660, heeft de Raad deze uitspraak bevestigd. De Raad heeft het oordeel van de rechtbank dat bij appellant elke vorm van verwijtbaarheid ontbrak, onderschreven. Het college heeft naar het oordeel van de Raad bij de keuze voor het traject onvoldoende rekening gehouden met de beperkingen van appellant. Ook heeft het college zich niet op de hoogte gesteld van de concrete aard van het werk dat appellant in het kader van het aangeboden traject zou moeten verrichten en de omstandigheden waaronder dat zou moeten gebeuren

1.4.

Bij brief van 28 mei 2015 heeft appellant in verband met de onder 1.2 en 1.3 genoemde besluiten verzocht om vergoeding van de door hem geleden materiële schade tot een bedrag van € 2.447,23 en immateriële schade tot een bedrag van € 1.052,77, in totaal een bedrag van € 3.500,-. De materiële schade bestaat uit verhuiskosten. Appellant stelt dat hij door de opeenvolgende maatregelbesluiten gedwongen was te verhuizen naar een andere gemeente. Appellant stelt ter onderbouwing van de immateriële schade dat de maatregelen bij hem psychische spanningen teweeg hebben gebracht. In het najaar van 2006 is hij in een depressie geraakt. Verder hebben zich bij de aanvraag van bijstand in zijn nieuwe woonplaats [plaatsnaam 1] problemen voorgedaan, waardoor appellant geen voorschot kreeg en hij uiteindelijk meer dan zeven maanden geen inkomen heeft gehad.

1.5.

Bij besluit van 16 juli 2015 heeft het college het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant het causale verband tussen de onrechtmatige besluiten en de schade niet heeft onderbouwd. Verder acht het college de psychische klachten niet aannemelijk gemaakt.

1.6.

Bij besluit van 13 januari 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 16 juli 2015 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft aansprakelijkheid voor de besluitvorming in 2006 en 2007 van de hand gewezen, omdat de schadevordering is verjaard. Het college heeft in verband met de onrechtmatige besluitvorming in 2010 en 2011 alsnog wettelijke rente toegekend over de nabetaling van de bruto verstrekte bijstand in plaats van alleen over de netto verstrekte bijstand. Het college is daarbij uitgegaan van de periode van 1 oktober 2010 tot en met 20 januari 2011, omdat per 21 januari 2011 de bijstand is beëindigd wegens de verhuizing van appellant naar de gemeente [plaatsnaam 1]. Daarnaast heeft het college appellant een immateriële schadevergoeding toegekend van € 677,- wegens de onrechtmatige besluitvorming in 2010 en 2011. Hierbij heeft het college aangetekend daartoe juridisch niet verplicht te zijn, maar zich gehouden te achten aan het standpunt dat hierover in een heroverwegingsnotitie en tijdens de hoorzitting is ingenomen. Voor de overige schade stelt het college niet aansprakelijk te zijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het college gevolgd in zijn betoog dat de vordering van schade voortvloeiend uit het besluit van 2006 is verjaard. De verjaringstermijn is aangevangen in 2011, toen de rechtbank het besluit van 7 november 2006 heeft vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen causaal verband tussen de vernietigde besluiten van 2010 en 2011 en de verhuizing van appellant. Het college is geen wettelijke rente verschuldigd over de periode dat appellant na zijn verhuizing geen bijstand kreeg in de gemeente [plaatsnaam 1]. Appellant kon op grond van het bepaalde in artikel 40 van de WWB geen bijstand meer krijgen in [plaatsnaam 2]. De vertraging in de besluitvorming op de bijstandsaanvraag in de gemeente [plaatsnaam 1] kan niet worden toegerekend aan het college.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) in werking getreden. Op grond van het daarin opgenomen overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 juli 2013. Bij de toetsing van een zelfstandig schadebesluit als hier aan de orde zoekt de Raad aansluiting bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en voorts dat alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit dat die schadeposten aan het bestuursorgaan, mede gezien de aard van aansprakelijkheid en de schade als gevolg van dat besluit, kunnen worden toegerekend

(zie de uitspraak van 28 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0611).

4.2.

Niet in geschil is dat de besluiten die volgens appellant schade hebben veroorzaakt, genoemd onder 1.2 en 1.3, onrechtmatig zijn.

Besluiten 2006-2007

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat zijn vordering tot schadevergoeding in verband met de onrechtmatige besluiten van 2006 en 2007 niet is verjaard.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 3:310, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Ook een vordering tot vergoeding van immateriële schade verjaart, anders dan appellant heeft betoogd, na vijf jaar. Appellant heeft bij zijn verzoek om schadevergoeding benadrukt dat hij in 2006 in een depressie is geraakt, volgens hem te wijten aan het college. Hij was toen dus al bekend met zowel het feit dat hij schade leed, als met de veroorzaker van die schade. Dat de volledige omvang van zijn schade toen nog niet vast te stellen was omdat de psychische klachten van appellant zich ontwikkelden, betekent niet dat hij niet in staat was om op dat moment een rechtsvordering in te stellen. Op het moment van het indienen van het schadeverzoek bij de brief van 28 mei 2015 was de vordering tot vergoeding van de schade geleden door de onrechtmatige besluitvorming in 2006-2007 dus al verjaard.

Besluiten 2010-2011

4.5.

De Raad is van oordeel dat de gestelde schade gelegen in verhuiskosten niet aan het college kon worden toegerekend. De onrechtmatige besluitvorming in 2010-2011 ziet op het opleggen van maatregelen voor de duur van respectievelijk een maand, twee en drie maanden. De keuze van appellant om per 21 januari 2011 te verhuizen naar een andere gemeente, staat niet in een zodanig oorzakelijk verband met de onrechtmatige besluitvorming dat zij het bestuursorgaan als rechtstreeks gevolg van die besluiten kan worden toegerekend. De reden voor appellant om te verhuizen was immers met name gelegen in de re-integratietrajecten waaraan hij steeds zijn medewerking moest verlenen en waarbij onvoldoende rekening werd gehouden met zijn beperkingen. De verhuiskosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Bovendien geldt dat de gevolgen van een onrechtmatige tijdelijke weigering van uitkering in beginsel zijn terug te voeren op de vertraagde uitbetaling van die uitkering, althans voor zover het gaat om kosten die zijn gemaakt als gevolg van het tijdelijk gemis aan geld door die weigering. Op grond van artikel 6:119, eerste lid, van het BW bestaat schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest. Dit betreft een gefixeerde schadevergoeding. De verhuiskosten komen ook daarnaast niet afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking.

4.6.

Ook het betoog van appellant dat het college aansprakelijk is voor de schade over de periode dat hij na zijn verhuizing naar [plaatsnaam 1] heeft moeten wachten op de toekenning van bijstand slaagt niet. Appellant had vanaf 21 januari 2011 geen recht meer op bijstand in de gemeente [plaatsnaam 2]. De schade is het gevolg van de verhuizing van appellant. Gelet op wat in 4.5 is overwogen kon die schade niet aan het college worden toegerekend.

4.7.

Voor zover appellant heeft bedoeld dat hij ook immateriële schade heeft geleden door

de besluiten in 2010 en 2011, slaagt dit al niet omdat appellant deze schade niet heeft onderbouwd, waarbij in aanmerking wordt genomen dat het college appellant al tot een bedrag van € 677,- aan immateriële schadevergoeding heeft toegekend.

4.8.

Uit 4.4 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en J.N.A. Bootsma en
M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2018.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) S.A. de Graaff

RH