Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:983

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
09-04-2018
Zaaknummer
16/7485 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eigen stortingen op bankrekeningen. Uit het financieel overzicht is niet te herleiden dat er verband was tussen opnames en terug stortingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7485 PW

Datum uitspraak: 3 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

20 oktober 2016, 16/3526 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Westland (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.C. Schmidt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schmidt, die tevens voor appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H. den Besten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst over stortingen van geld op twee bankrekeningen op naam van appellante en een bankrekening van appellant heeft het college een heronderzoek laten verrichten naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft het college aan appellanten verzocht afschriften van de drie bankrekeningen, met onderscheidenlijk de nummers [Rekeningnummer 1], [Rekeningnummer 2] en [Rekeningnummer 3], over te leggen, voor zover deze de periode van 4 februari 2014 tot en met 30 april 2015 betreffen. Daarnaast heeft het college aan appellanten verzocht de stortingen op de drie bankrekeningen te verklaren door middel van een zogenoemd verklaringenformulier en deze verklaringen te ondersteunen met verifieerbare bewijsstukken. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van

21 augustus 2015.

1.3.

Op basis van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 21 augustus 2015 (besluit 1) de bijstand over de periode van 4 februari 2015 tot en met 30 april 2015 herzien. Bij besluit van 4 november 2015 (besluit 2) heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 mei 2014 tot en met 30 april 2015 tot een bedrag van € 8.551,67 van appellanten teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 29 maart 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellanten tegen besluit 1 gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat de periode waarover de bijstand wordt herzien wordt gewijzigd in de periode van 1 mei 2014 tot 1 mei 2015. Het college heeft het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat in de periode van 1 mei 2014 tot 1 mei 2015 regelmatig contante stortingen hebben plaatsgevonden op de bankrekeningen van appellanten waarvoor zij geen toereikende verklaring hebben gegeven. Het college heeft de stortingen als inkomsten aangemerkt. Appellanten hebben verzuimd die inkomsten te melden. Het college heeft daarom alsnog de betreffende bedragen op de bijstand in mindering gebracht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten voeren aan dat zij gewoon waren de bedragen die zij als uitkering of toeslag op de bankrekening ontvingen direct op te nemen om ervoor te zorgen dat er geen positief saldo was waarop beslag zou kunnen worden gelegd. Zij hebben erop gewezen dat zij schulden hadden. Op het moment dat een betaling moest worden verricht, stortten zij het daartoe benodigde bedrag weer op een rekening, waarna zij dit vervolgens direct overschreven. Het college heeft geconstateerd dat de opnames en stortingen gelijke tred hielden. Appellanten waren er niet van op de hoogte dat het opnemen en terugstorten van geld van belang is voor het vaststellen van het recht op bijstand.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 mei 2014 tot 1 mei 2015.

4.2.

Niet in geschil is dat appellanten in de te beoordelen periode diverse contante geldbedragen, variërend van € 20,- tot € 852,-, hebben gestort op hun bankrekeningen.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW.

4.4.

De beroepsgrond dat het college ten onrechte de gestorte bedragen als inkomsten heeft aangemerkt omdat appellanten hun eigen geld op de rekeningen hebben gestort slaagt niet. Ter toelichting op dit oordeel geldt het volgende.

4.4.1.

Met betrekking tot de herkomst van de stortingen hebben appellanten verklaard, zoals onder 3 vermeld, dat zij geld opnamen van de bankrekeningen en dat zij, wanneer een rekening moest worden betaald, van het eerder opgenomen geld een deel terugstortten. Appellanten hebben hun stellingen ter zake echter niet met objectieve en verifieerbare gegevens ondersteund. Zij hebben zelfs niet inzichtelijk gemaakt hoe de geldstromen precies verliepen. Dit klemt te meer nu appellanten niet alleen geld van de rekeningen opnamen en daarop stortten, maar ook geld overboekten van de ene naar de andere rekening. Aangezien stortingen, zoals uit 4.3 volgt, in beginsel als inkomsten worden beschouwd, lag het op hun weg om aannemelijk te maken dat de gestorte bedragen eigen geld betrof.

4.4.2.

Het college heeft getracht om het verhaal van appellanten dat zij de ontvangen bijstand en kinderbijslag van hun rekening opnamen en een deel van de betreffende bedragen terugstortten om giraal rekeningen van te betalen te verifiëren. Het college heeft daartoe de bankafschriften over de periode van 27 maart 2014 tot en met 23 april 2015 geanalyseerd om te bezien of een relatie bestaat tussen de opnames en de stortingen en getracht uit het verhaal van appellanten een helder beeld te destilleren. Het college heeft, om appellanten ter wille te zijn, in een uitgebreid overzicht de diverse stortingen, ontvangen bedragen, opnames en overboekingen in kaart gebracht. Hieruit is op te maken dat - zoals appellanten hebben verklaard - nadat de bijstand en de kinderbijslag waren gestort deze vrijwel direct werden opgenomen. Niet lang daarna volgen stortingen en vervolgens betalingen vanaf de diverse bankrekeningen. Er vonden echter ook overboekingen plaats van en naar elk van de drie bankrekeningen die niet zijn te herleiden naar de bijstand en de kinderbijslag. De analyse van het college heeft aldus niet geleid tot een helder inzicht in de financiële transacties van appellanten. Een voldoende rechtstreeks verband tussen de opnames en stortingen waaruit de herkomst van de gestorte bedragen is te herleiden is dan ook niet naar voren gekomen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college zich op goede grond op het standpunt heeft gesteld dat hiermee onduidelijkheid is blijven bestaan over de herkomst van de gestorte en overgeboekte bedragen.

4.5.

Gelet voorts op de omvang en het terugkerend karakter van de stortingen op de bankrekeningen van appellanten heeft het college deze op goede grond aangemerkt als inkomsten in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW over de maanden waarin de stortingen hebben plaatsgevonden.

4.6.

Niet in geschil is dat appellanten die inkomsten niet uit eigen beweging aan het college hebben gemeld. Het gaat hier onmiskenbaar om gegevens die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Dit betekent dat appellanten de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.

4.7.

Gelet op 4.1 tot en met 4.6 heeft het college terecht de gestorte bedragen als inkomsten in mindering gebracht op de bijstand.

4.8.

Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2018.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) F. Dinleyici

HD