Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:980

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
09-04-2018
Zaaknummer
17/1315 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Uitsluitingsgrond art. 13, tweede lid onder c PW. Niet ingeschreven voor opleiding, terwijl niet is gebleken dat hij niet is staat was om uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs te volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1315 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

22 december 2016, 16/3529 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 27 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.E. van der Bent, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Bent. Het college is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren [in] 1991, heeft in 2011 een MBO opleiding, niveau 4, met een diploma afgerond. Hij ontvangt sinds 15 januari 2014 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij brief van 10 november 2015 heeft het dagelijks bestuur appellant meegedeeld dat

hij van appellant verwacht dat hij zich per 1 februari 2016 inschrijft voor een opleiding en studiefinanciering aanvraagt. Daarbij heeft het dagelijks bestuur appellant uitgenodigd voor een bijeenkomst op 18 november 2015 waar hij wordt ondersteund bij het vinden van een opleiding en wordt geïnformeerd over de mogelijkheden daarbij. Appellant is op

18 november 2015 niet op de bijeenkomst verschenen.

1.3.

Bij brief van 8 december 2015 heeft het dagelijks bestuur appellant opnieuw uitgenodigd voor een scholingsbijeenkomst, dit keer op 23 december 2015. Appellant is ook op deze bijeenkomst niet verschenen.

1.4.

Bij besluit van 2 maart 2016 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2016 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellant uit

’s Rijks kas bekostigd onderwijs met aanspraak op studiefinanciering kan volgen en dan geen recht meer heeft op algemene bijstand (artikel 13, tweede lid, onder c, onder 1, van de PW).

1.5.

Bij besluit van 7 juni 2016 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 2 maart 2016 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij de opleidingsmogelijkheden van appellant onvoldoende heeft onderzocht en dat de situatie van appellant “voldoende feitelijke grondslag biedt voor het van toepassing zijn van de uitsluitingsgrond van artikel 13 lid 2 onder c onder 2” van de PW.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de PW, heeft geen recht op algemene bijstand, degene die jonger is dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen en:

1e in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel

2e in verband daarmee geen aanspraak heeft op studiefinanciering en dit onderwijs niet volgt.

4.2.1.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de grondslag van het bestreden besluit heeft verlaten dan wel uitgebreid, door te overwegen dat vaststaat dat appellant met ingang van 1 februari 2016 uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kon volgen en in verband daarmee aanspraak kon maken op studiefinanciering en dat het dagelijks bestuur in het bestreden besluit zowel onderdeel 1 als onderdeel 2 van artikel 13, tweede lid, onder c, van de PW heeft genoemd.

4.2.2.

Hoewel appellant terecht heeft aangevoerd dat in het bestreden besluit onderdeel 2 van artikel 13, tweede lid, onder c, van de PW als grondslag van de intrekking van de bijstand wordt genoemd, leidt deze beroepsgrond niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.2.3.

In het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur ook gewezen op het bepaalde in artikel 13, tweede lid, onder c, onderdeel 1, van de PW, en opgemerkt dat jongeren die uit

’s Rijks kas onderwijs kunnen volgen en in verband daarmee aanspraak hebben op studiefinanciering niet in aanmerking voor algemene bijstand komen. Daarbij heeft het dagelijks bestuur gesteld dat niet kan worden tegengeworpen dat de opleidingsmogelijkheden van een belanghebbende onvoldoende zijn onderzocht indien een belanghebbende niet verschijnt op een gesprek met betrekking tot het onderzoek naar deze opleidingsmogelijkheden. Van appellant wordt verwacht dat hij zijn mogelijkheden binnen het regulier onderwijs zoveel mogelijk benut. Het dagelijks bestuur heeft die mogelijkheden met appellant willen onderzoeken, maar dit is door de opstelling van appellant niet van de grond is gekomen en moet voor rekening en risico van appellant komen. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het dagelijks bestuur in het bestreden besluit aan de intrekking van de bijstand ten grondslag heeft gelegd dat appellant de mogelijkheid van het volgen van uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs niet heeft benut. Het dagelijks bestuur heeft zich gebaseerd op de uitsluitingsgrond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de PW. Dat daarbij ook specifiek is verwezen naar onderdeel 2 van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, is in dit geval niet van belang. Vaststaat dat appellant zich niet heeft ingeschreven voor een opleiding, terwijl niet gebleken is dat appellant niet in staat was om uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te volgen of een voor hem geschikte opleiding te vinden. Daarbij zou zowel een opleiding als bedoeld in onderdeel 1 als in onderdeel 2 van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de PW ertoe leiden dat appellant geen recht op bijstand heeft (vergelijk ook de uitspraak van 21 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:672).

4.3.1.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat hij per 1 februari 2016 niet uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kon volgen, althans dat hij dat ten tijde van het intrekkingsbesluit niet met terugwerkende kracht kon realiseren. Dat het recht op bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de PW beëindigd kon worden had hem tijdig kenbaar gemaakt moeten worden, en dat is volgens appellant niet gebeurd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.3.2.

Bij de invoering van de scholingsplicht is de wetgever uitgegaan van de eigen verantwoordelijkheid van de jongere tot 27 jaar om uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs te volgen. Het feit dat in dit geval sprake is van een belastend besluit doet aan dat uitgangspunt niet af (vergelijk de uitspraak van 26 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3707). Nu appellant niet is verschenen op de bijeenkomsten van 18 november 2015 en

23 december 2015 kan het dagelijks bestuur niet worden tegengeworpen dat het de opleidingsmogelijkheden van appellant onvoldoende heeft onderzocht en mocht het dagelijks bestuur ervan uitgaan dat appellant vanaf 1 februari 2016 wel uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs kon volgen.

4.3.3.

Dat aan appellant, zoals hij stelt, niet tijdig kenbaar is gemaakt dat het recht op bijstand per 1 februari 2016 kon worden beëindigd en dat hij ten tijde van het intrekkingsbesluit van

2 maart 2016 niet meer met terugwerkende kracht per 1 februari 2016 het volgen van onderwijs kon realiseren, slaagt niet, reeds nu uit die omstandigheden niet volgt dat het bepaalde in artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de PW niet vanaf 1 februari 2016 op hem van toepassing was. Overigens heeft het dagelijks bestuur in de uitnodigingsbrieven van 10 november 2015 en 8 december 2015 duidelijk vermeld dat appellant zich per

1 februari 2016 diende in te schrijven voor een opleiding en daarbij verwezen naar het bepaalde in artikel 13, tweede lid, onder c, van de PW.

4.4.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat een extra opleiding niets toevoegt aan het totaal aan scholing waarover appellant reeds beschikt. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Appellant is er na de afronding van de opleiding niet in geslaagd werk in zijn branche te vinden dan wel te behouden en het dagelijks bestuur heeft in dat licht terecht appellant de scholingsplicht opgelegd om zijn arbeidsmarktperspectief te verbeteren (vergelijk de uitspraak van

7 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3892).

4.5.

Uit 4.2.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en W.H. Bel en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2018.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) J. Tuit

LO