Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:975

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
17/5138 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:4381, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van appellant dat ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit sprake was van een zodanige impasse dat die in de weg staat aan een vruchtbare samenwerking en voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet van hem kan worden verlangd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2018/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/5138 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 juni 2017, 16/7843 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 29 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.R.M. Berends-Schellens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. S. Bakker een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2018. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Berends-Schellens en mr. A.M. Spahr van der Hoek. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Bakker.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is met ingang van [datum 1] bij de gemeente Hellevoetsluis aangesteld bij wijze van proef voor de duur van één jaar in de functie van [naam functie 1] bij de afdeling [naam afdeling] van het cluster [naam cluster]. Deze aanstelling is niet omgezet in een vaste aanstelling. Betrokkene is met ingang van [datum 2] aangesteld in tijdelijke dienst bij wijze van proef in de functie van [naam functie 1] bij het Cluster [naam cluster]. In deze functie was zij verantwoordelijk voor de organisatieonderdelen [onderdelen]. Met ingang van 1 maart 2010 is deze aanstelling omgezet in een vaste aanstelling. Als gevolg van een reorganisatie is betrokkene met ingang van 1 juni 2011 geplaatst in de functie van [naam functie 2]. In deze functie gaf zij leiding aan het team [naam team].

1.2.

Op 24 september 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de gemeentesecretaris en betrokkene. In dit gesprek is een rapportage besproken die is opgesteld naar aanleiding van onrust en onvrede bij het team [naam team] die gepaard ging met uitval wegens ziekte van R, de coördinator van dat team.

1.3.

Op 9 januari 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de gemeentesecretaris en betrokkene. In dit gesprek is de situatie besproken die is ontstaan nadat een poging tot mediation tussen betrokkene en F, de [naam team], was mislukt en zij het vertrouwen in elkaar hadden opgezegd. Tijdens dit gesprek heeft de gemeentesecretaris daarnaast zorgen geuit over het functioneren van betrokkene.

1.4.

Op 26 januari 2015 is betrokkene uitgevallen wegens ziekte. In februari 2015 is zij weer halve dagen gaan werken.

1.5.

Bij brief van 2 april 2015 heeft appellant betrokkene met ingang van 1 juli 2015 een mobiliteitsdienstverband bij [A] aangeboden voor de duur van één jaar onder voorwaarde dat betrokkene verzoekt om eervol ontslag met ingang van die datum. In die brief heeft appellant verder te kennen gegeven dat, indien betrokkene niet met het voorstel instemt, hij geen andere mogelijkheid ziet dan het voorbereiden van eenzijdig ontslag. Betrokkene is niet op dit aanbod ingegaan.

1.6.

De bedrijfsarts heeft betrokkene vanaf 11 mei 2015 volledig arbeidsongeschikt geacht.

1.7.

In de periode vanaf mei 2015 heeft appellant diverse pogingen ondernomen om een regeling tot stand te brengen die erin resulteerde dat het dienstverband zou eindigen. Betrokkene wilde hiermee niet akkoord gaan.

1.8.

Vanaf oktober 2015 tot februari 2016 heeft een mediationtraject plaatsgevonden. Dit traject heeft niet tot een oplossing geleid.

1.9.

Nadat appellant het voornemen daartoe bekend had gemaakt en betrokkene haar zienswijze naar voren had gebracht, heeft appellant bij besluit van 10 mei 2016 (ontslagbesluit) betrokkene met toepassing van artikel 8:8 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Hellevoetsluis 2007 (ARGH) ontslag verleend. De ingangsdatum van het ontslag is daarbij bepaald op 17 mei 2016. Aan het ontslagbesluit is ten grondslag gelegd dat gedurende de loopbaan van betrokkene bij de gemeente zich een patroon voordoet rond haar functioneren en dan met name rondom de leidinggevende aspecten daarvan. Dit patroon uit zich door conflicten met medewerkers. Verder verliest betrokkene door haar gedrevenheid haar medewerkers uit het oog. Appellant ziet daardoor geen mogelijkheden meer om tot een vruchtbare samenwerking met betrokkene te komen. Appellant heeft op grond van artikel 10d:4 van de ARGH aan betrokkene een aanvullende en na-wettelijke uitkering toegekend indien en voor zover betrokkene aansluitend aan het ontslag werkloos is in de zin van de Werkloosheidswet.

1.10.

Bij besluit van 25 oktober 2016 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het ontslagbesluit herroepen.

2.2.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat betrokkene in 2012 en 2014 conflicten heeft gehad met medewerkers en dat appellant met name aan het conflict met F in 2014 de conclusie heeft verbonden dat de positie van betrokkene niet houdbaar was en dat een vruchtbare samenwerking onmogelijk was geworden. Appellant heeft echter geen onderzoek gedaan naar de precieze toedracht van dat conflict, terwijl zo’n onderzoek hier zeker voor de hand gelegen omdat betrokkene erop had gewezen dat F tientallen jaren bij de afdeling [afdeling] heeft gewerkt, dat er voor hem een plek werd gezocht in de organisatie en dat hij toen zonder leidinggevende ervaring en zonder overleg met haar op haar afdeling werd geplaatst als coördinator [naam team], terwijl iedereen wist dat hij bij [afdeling] niet goed functioneerde. Hier is uitgebreid over gesproken met de gemeentesecretaris en de gemachtigde van appellant, maar betrokkene voelde zich door hen niet gesteund. Volgens de rechtbank kan uit het dossier niet méér worden afgeleid dan dat appellant de schuld voor het mislukken van de mediation tussen betrokkene en F volledig bij betrokkene heeft neergelegd.

2.3.

De rechtbank heeft verder overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of een vruchtbare samenwerking met betrokkene onmogelijk was geworden niet kan worden voorbijgegaan aan de positieve beoordelingen en verslagen van functioneringsgesprekken die zich in het dossier bevinden. Het functioneren van betrokkene is tussen [datum 1] en 10 mei 2016 achtmaal beoordeeld. Weliswaar is juist dat de directe stijl van betrokkene is aangestipt als een punt waarop zij zich nog diende te ontwikkelen, maar dit heeft nimmer geleid tot een onvoldoende beoordeling op één of meer competenties of eindresultaten. Hierbij is van belang dat betrokkene als gevolg van haar plaatsing in de functie van [naam functie 2] per 1 juni 2011 geen eenvoudige taak had. In de beoordeling over het tijdvak

1 mei 2011 tot 1 november 2011 worden lovende bewoordingen gebruikt over de wijze waarop betrokkene zich van die moeilijke taak heeft gekweten. Voorts heeft appellant betrokkene met ingang 1 januari 2012 vier periodieken toegekend in het kader van flexibel belonen als waardering voor haar inzet en prestaties in 2011. Ook over 2012 en 2013 heeft betrokkene goede beoordelingen gehad. Het niet gedateerde of ondertekende formulier van het in september 2014 gehouden functioneringsgesprek waarin is opgenomen dat betrokkene regelmatig conflicten heeft met haar medewerkers, dat verbeterpunten bestaan op het vlak van leidinggeven en dat zij moet investeren in haar handelingsrepertoire doet daaraan volgens de rechtbank niet af. Datzelfde geldt voor het kennelijk in verband met ziekte niet met betrokkene besproken beoordelingsformulier van 6 januari 2015 over 2014 waarin een aantal competenties als matig wordt beoordeeld. Deze beoordeling heeft in samenhang met het functioneringsgesprek in 2014 slechts geleid tot de conclusie dat samen met betrokkene bekeken zou moeten worden of haar huidige functie wel de juiste is gezien de aanwezige sterke competenties en de huidige rol die ze vervult binnen de organisatie.

2.4.

De rechtbank heeft voorts in aanmerking genomen dat tijdens het functioneringsgesprek in 2014 wel is gesproken over de mogelijkheid van een andere functie voor betrokkene, maar dat uit het dossier niet blijkt dat appellant heeft onderzocht of die mogelijkheid reëel was.

2.5.

Gelet op de in 2.2 tot en met 2.4 weergegeven overwegingen is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat niet is gebleken van een zodanige impasse dat deze in de weg staat aan een vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van appellant kon worden verlangd. Ook in de periode dat betrokkene geheel of gedeeltelijk ziek en arbeidsongeschikt was, was geen sprake van voldoende feitelijke grondslag voor die conclusie. Appellant was dan ook niet bevoegd betrokkene op de gekozen ontslaggrond te ontslaan.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 28 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:198) kan een ontslaggrond als die van artikel 8:8 van de ARGH worden toegepast als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan een vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd.

4.2.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:58) is voor de vaststelling of het bestuursorgaan bevoegd is om tot ontslagverlening over te gaan de situatie ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit bepalend. Dat betekent dat acht moet worden geslagen op de relevante feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór de datum waarop het ontslagbesluit is genomen en dat de situatie op die datum bepalend is.

4.3.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van appellant dat ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit sprake was van een zodanige impasse dat die in de weg staat aan een vruchtbare samenwerking en voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet van hem kan worden verlangd. De Raad verwijst naar de onder 2.2 tot en met 2.4 weergegeven overwegingen van de rechtbank waarop dat oordeel berust. Hij voegt daar nog het volgende aan toe. Uit de gedingstukken blijkt niet dat het functioneren van betrokkene zich door de jaren heen heeft gekenmerkt door een patroon dat zich uit in conflicten met medewerkers. In 2012 is er een conflict geweest met R en in 2014 met F. Welke rol betrokkene in die conflicten heeft gespeeld komt in de gedingstukken niet naar voren, terwijl duidelijkheid over die rol, anders dan appellant heeft betoogd, voor de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in 4.1 wel degelijk van belang kan worden geacht. Ook de Raad kan niet voorbijgaan aan de positieve beoordelingen en verslagen van functioneringsgesprekken die zich in het dossier bevinden. Des te opmerkelijker is dat het streven van appellant er vanaf begin april 2015 consequent op gericht geweest het dienstverband met betrokkene te beëindigen. Dat betrokkene na herstel haar werk als [naam functie 2] zou oppakken werd uitgesloten geacht. Mogelijkheden om betrokkene naar een andere afdeling over te plaatsen of plaatsing in een niet-leidinggevende functie waar partijen in 2014 nog over hebben gesproken, zijn niet verder onderzocht. Voor deze omslag in de visie van appellant over de verdere samenwerking met betrokkene heeft de Raad in de gedingstukken en in het verhandelde ter zitting geen afdoende verklaring gevonden. Van appellant hadden inspanningen mogen worden verwacht om een oplossing te zoeken voor de door hem ervaren problemen in het functioneren van betrokkene. De Raad is niet gebleken dat toen het ontslagbesluit werd genomen van dergelijke inspanningen geen resultaat meer viel te verwachten en dat een uitzichtloze situatie was ontstaan.

4.4.

De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Aanleiding bestaat appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en € 33,64 aan reiskosten in hoger beroep. De Raad ziet geen grond voor vergoeding van de door betrokkene gevraagde reiskosten in eerste aanleg, nu betrokkene op dit punt incidenteel hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak had kunnen instellen, maar dit heeft nagelaten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.035,64;

  • -

    bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 501,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A. Kooijman en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2018.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) S.A. de Graaff

RH