Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:967

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
05-04-2018
Zaaknummer
14/1091 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-uitkering. De door de Raad geraadpleegde internist geeft aan dat een belastbaarheid van twee tot drie uur per dag, verdeeld over twee dagdelen, redelijk is. Geen omstandigheden het rapport niet te volgen, te meer nu zijn conclusie overeenkomt met de door appellante overgelegde informatie uit de behandelend sector. De in de FML opgenomen urenbeperking van vier uur (achtereen) houdt geen stand. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 1091 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

22 januari 2014, 13/2385 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid)

Datum uitspraak: 21 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.M. van Dijk-Opstal hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk-Opstal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.C. van Beek. Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde het Uwv in de gelegenheid te stellen nader te reageren.

Partijen hebben vervolgens over en weer nader gereageerd en stukken ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft de internist dr. Th.M. Erwteman op 15 juni 2016 rapport uitgebracht.

Partijen hebben nader gereageerd, evenals internist Erwteman.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) als partij aangemerkt.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 7 februari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. O. Labordus. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 4 juni 2012 heeft het Uwv per 23 juli 2012 aan appellante een

WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 62,22%.

1.2.

Bij besluit van 18 februari 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 juni 2012 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. Met de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 april 2012 hebben de verzekeringsartsen de beperkingen van appellante niet onderschat. Met name ook is er geen aanleiding voor een verdergaande urenbeperking dan vier uur per dag.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat. Met name heeft zij bezwaar tegen de in de FML opgenomen urenbeperking. Appellante is niet in staat vier uur (achtereen) per dag te werken. Na een half uur inspanning heeft zij al een rustperiode van 1,5 uur nodig. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij diverse brieven van haar behandelend cardioloog prof. dr. F.C. Visser overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. In haar rapporten van

16 augustus 2016 en 16 december 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat appellante wel degelijk in staat moet worden geacht vier uur (achtereen) per dag te werken. Er is geen sprake van ernstige medische pathologie, en appellante is ook in staat zeker wel vier uur per dag zorgtaken te verrichten, die wellicht belastender zijn dan andere taken.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante lijdt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS)/ME. Wel in geschil is tot welke beperkingen dit moet leiden, waarbij het geschil zich toespitst op de vraag of het Uwv met het aannemen van een urenbeperking van vier uur per dag de belastbaarheid niet heeft overschat.

4.3.

De door de Raad geraadpleegde internist Erwteman concludeert in zijn rapport van

15 juni 2016 en in zijn aanvullende brief van 1 november 2016 dat een belastbaarheid van twee tot drie uur per dag, verdeeld over twee dagdelen, redelijk is. De motivering van de deskundige is overtuigend. Het uitgebrachte rapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Er zijn geen omstandigheden die aanleiding geven het rapport niet te volgen.

4.4.

Er is reden te meer het standpunt van de deskundige te volgen, nu zijn conclusie overeenkomt met de door appellante overgelegde informatie uit de behandelend sector. In haar brief van 17 mei 2013 concludeert de ergotherapeute E. Brocken gemotiveerd dat appellante zeer minimaal belastbaar is en dat haar belastbaarheid geschat kan worden op 20% van haar leeftijdsgenoten. Zij kan een activiteit maximaal 1,5 uur volhouden, waarna een hersteltijd nodig is van een half uur tot een uur. De belastbaarheid is veel lager dan door de verzekeringsarts is vastgesteld. Cardioloog Visser stelt in zijn brief van 13 mei 2014 zich voor 100% te kunnen vinden in de brief van de ergotherapeute. De klachten van appellante zijn zeer reëel en invaliderend. Appellante heeft op zijn minst 50% minder energie. Een aaneengesloten periode van vier uur werken is absoluut niet realistisch.

4.5.

Gelet op alle medische gegevens moet geconcludeerd worden dat de in de FML opgenomen urenbeperking van vier uur (achtereen) geen stand kan houden. Het bestreden besluit berust daarom op een onjuiste medische grondslag, zodat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van dat besluit in stand heeft gelaten. Gelet op de urenbeperking, die door internist Erwteman en de behandelend sector wordt aangegeven, inclusief de door hen aangegeven rustbehoefte tussen de werkzame uren, kan, zoals de gemachtigde van het Uwv ter zitting ook heeft erkend, een nieuwe schatting tot niets anders leiden dan een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. De Raad zal daarom het Uwv opdracht geven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarin het Uwv zich uit zal kunnen laten over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de door het Uwv nieuw te nemen beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5.1.

Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

5.2.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

5.3.

Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 3 juli 2012 tot de datum van deze uitspraak, heeft de procedure afgerond vijf jaar en acht maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met 20 maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 2000,-.

5.4.

Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van

4 juni 2012 afgerond acht maanden geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase is 2 maanden. Na ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 25 maart 2013 heeft de rechtbank op 22 januari 2014 uitspraak gedaan, dus na afronding tien maanden. Dit betekent dat de rechtbank de redelijke termijn niet heeft geschonden. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 25 februari 2014 tot de datum van deze uitspraak afgerond vier jaar en één maand geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn bij de bestuursrechter is 17 maanden. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening van het Uwv onderscheidenlijk de Staat komt, wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252). Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 211,- (2/19 deel van € 2000,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van

€ 1.789,- (17/19 deel van € 2.000,-).

6. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 1.002,- in bezwaar en € 2.254,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. De veroordeling voor in beroep gemaakte kosten en betaald griffierecht blijft in stand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 18 februari 2013 in stand heeft gelaten;

  • -

    draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 211,-;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1789,-;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante in bezwaar en in hoger beroep tot een bedrag van € 3.256,50;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 122,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2018.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) L. Boersma

UM