Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:942

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
17/6342 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de loskoppelingsregeling, als uitgewerkt in het Bsf 2000, wordt een inbreuk gemaakt op het uitgangspunt van de veronderstelde ouderlijke bijdrage. Een ernstig en structureel conflict tussen ouder en kind vereist objectief bewijs van studerende kind. Overgelegde e-mail is onvoldoende. Geen sprake van omstandigheden waardoor redelijkerwijs niet van appellante verlangd kan worden een verklaring van haar psycholoog te overleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6342 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

7 september 2017, 17/1499 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

Datum uitspraak: 28 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.P. Boer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2018. Voor appellante is

mr. Boer verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen

door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van 26 januari 2017 (bestreden besluit) waarbij de minister, beslissend op bezwaar, zijn besluit van 6 december 2016 heeft gehandhaafd. Daarbij heeft de rechtbank, voor zover van belang voor het hoger beroep, overwogen dat niet is gebleken dat sprake is van een ernstig en structureel conflict tussen appellante en haar vader als bedoeld in de artikelen 3.14 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) en 6, eerste lid, aanhef en onder a, en 7 van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000). De inhoud van de overgelegde e-mail van 16 december 2015 van de vader van appellante is onvoldoende om te beoordelen of sprake is van een situatie dat loskoppeling aangewezen is. Appellante heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat van haar redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij een verklaring van een deskundige over de ernst van het conflict met haar vader overlegt. De minister heeft geen reden hoeven zien om de aanvullende beurs van appellante onafhankelijk van het inkomen van haar vader vast te stellen.

2. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat gelet op de inhoud van de door haar overgelegde e-mail van 16 december 2015 geoordeeld moet worden dat voldaan is aan de conflicteis. Deze e-mail was aanleiding om opnieuw een psycholoog te raadplegen. Het overleggen van een verklaring van een deskundige is te belastend voor appellante.

3. De Raad oordeelt als volgt.

3.1.

De Wsf 2000 heeft met het bepaalde in de artikelen 3.8 tot en met 3.13 als uitgangspunt dat de aanspraak op een aanvullende beurs altijd afhankelijk is van een, op basis van het ouderlijk inkomen berekende, veronderstelde ouderlijke bijdrage. Met de loskoppelingsregeling, als uitgewerkt in het Bsf 2000, wordt een inbreuk gemaakt op dit uitgangspunt.

3.2.

Volgens de nota van toelichting bij het Bsf 2000 valt bij een ernstig en structureel conflict in de zin van de artikelen 6, eerste lid, aanhef en onder a, en 7 van het Bsf 2000, te denken aan een zodanig fundamenteel en structureel verstoorde relatie tussen ouder en kind dat loskoppeling de enige weg is. Als voorbeelden daarvan worden genoemd gevallen waarbij ernstig lichamelijk of ernstig geestelijk geweld een rol heeft gespeeld dan wel gevallen van diepgaande, met ernstige conflicten gepaard gaande, verschillen van inzicht over met name levensovertuiging, cultuur of geloof. Een dergelijk conflict dient ingevolge het bepaalde in artikel 7, derde lid, van het Bsf 2000, te worden aangetoond aan de hand van ten minste één verklaring van een ter zake deskundige. Dit door de regelgever vereiste objectieve bewijs past bij het bijzondere karakter van de loskoppelingsregeling als hiervoor uiteengezet onder 3.1.

3.3.

Het ligt primair op de weg van de studerende om de gegevens en bescheiden te verschaffen die voor een beslissing op de aanvraag om loskoppeling nodig zijn en waarover hij de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan krijgen.

3.4.

Uit de door appellante overgelegde e-mail van haar vader van 16 december 2015 kan niet meer worden afgeleid dan dat sprake is van een verstoorde relatie tussen appellante en haar vader. Voor loskoppeling is dat niet voldoende.

3.5.

Ook in hoger beroep is niet gebleken dat er sprake is van omstandigheden waardoor redelijkerwijs niet van appellante verlangd kan worden dat zij een verklaring van een deskundige als bedoeld in artikel 7, derde lid, van het Bsf 2000, overlegt. Zo valt bijvoorbeeld niet in te zien waarom appellante geen verklaring van haar behandelend psycholoog kan overleggen, tot wie zij zich (opnieuw) heeft gewend naar aanleiding van de e-mail van haar vader van 16 december 2015.

3.6.

Gelet op 3.4 en het ontbreken van een (toereikende) verklaring van een deskundige

als voorgeschreven in artikel 7, derde lid, van het Bsf 2000, is – bij gebrek aan (objectief) bewijs – niet gebleken dat sprake is van een conflict in de zin van de wet.

3.7.

Uit wat is overwogen in 3.1 tot en met 3.6 volgt dat de rechtbank terecht geoordeeld heeft dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om de aanvullende beurs van appellante onafhankelijk van het inkomen van haar vader vast te stellen. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2018.

(getekend) J. Brand

(getekend) S.L. Alves

LO