Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:925

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
15/3108 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan het besluit tot toekenning van WGA-uitkering niet automatisch conclusie verbinden dat voldaan is aan het bepaalde in artikel 98, derde lid, aanhef en onder c, van het ARAR. Situatie kort voor of ten tijde van de ontslagverlening bezien. Duurzame re-integratie werd juist op termijn verwacht door arbeidsdeskundige. Hoger beroep appellant slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2018/84
ABkort 2018/168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3108 AW, 15/5977 AW

Datum uitspraak: 22 maart 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 31 maart 2015, 15/681 en 15/682 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Justitie en Veiligheid (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. H. Eillert, advocaat, een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft zijn zienswijze gegeven over het incidenteel hoger beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2018. Appellant heeft zich

laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Schouten, J.H. de Bruin en J.N.C. van Westerlaak. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Eillert.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is sinds 1 februari 1999 werkzaam in de functie van [functie 1] bij

het [Centrum] van de Dienst [Dienst] van

het ministerie van Justitie en Veiligheid voor 28,05 uur per week. Op 19 januari 2012

meldde betrokkene zich ziek als gevolg van diverse beperkingen ten gevolge van een

auto-ongeval. Vanaf medio maart 2013 heeft betrokkene aangepast werk als [functie 2] verricht. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft betrokkene bij besluit van 23 januari 2014 over de periode van 7 februari 2014 tot 7 april 2016 een loongerelateerde Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten (WGA) uitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 54,76%. Aan dat besluit lag een arbeidsdeskundig rapport van 22 januari 2014 ten grondslag.

1.2.

Bij brief van 24 april 2014 heeft appellant het voornemen geuit om betrokkene per

16 april 2014 voor twaalf uren per week eervol ontslag te verlenen op grond van artikel 98,

eerste lid, aanhef en onder f, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Tevens heeft appellant in dit voornemen meegedeeld dat betrokkene per 16 april 2014 voor

zestien uren in de functie van [functie 3] wordt herplaatst. Na een zienswijze van betrokkene heeft appellant bij brief van 26 juni 2014 een nieuw voornemen uitgebracht en meegedeeld dat hij voornemens is om betrokkene per 1 augustus 2014 volledig eervol ontslag te verlenen conform artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van het ARAR. Na een zienswijze van betrokkene heeft appellant bij besluit van 18 augustus 2014 betrokkene met ingang van 1 september 2014 eervol ontslag verleend op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van het ARAR. Betrokkene heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 19 januari 2015 (bestreden besluit) heeft appellant, in afwijking van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften Algemene wet bestuursrecht inzake personele aangelegenheden Ministerie van Justitie en Veiligheid, het besluit van 18 augustus 2014 gehandhaafd. Aan dit ontslag heeft appellant ten grondslag gelegd dat met de toekenning door het Uwv van de loongerelateerde WGA-uitkering bij besluit van 23 januari 2014 is voldaan aan de ontslagvoorwaarden van artikel 98, derde lid, van het ARAR en hij aldus bevoegd is het dienstverband te beëindigen op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het primaire besluit geschorst en bepaald dat het dienstverband van betrokkene wordt hersteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant bij de voorbereiding van het bestreden besluit onvoldoende onderzoek verricht en dit besluit onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet in geschil is dat aan de voorwaarden van artikel 98, derde lid, aanhef en onder a en b, van het ARAR wordt voldaan. Echter heeft appellant zich onvoldoende vergewist of voldaan was aan de voorwaarde onder c, dat wil zeggen of duurzame re-integratie in arbeid die aansluit bij de benutbare mogelijkheden van betrokkene niet binnen een redelijke termijn te verwachten was. Daarbij acht de rechtbank doorslaggevend dat het besluit van het Uwv van 23 januari 2014 dateert en appellant pas zeven maanden later, op 18 augustus 2014, een primair besluit heeft genomen. Uit de processtukken blijkt niet dat appellant in de tussentijd nader medisch advies heeft ingewonnen, dan wel op basis van andere informatie tot een beoordeling van de mogelijkheden van duurzame re-integratie is gekomen. Het is de rechtbank niet gebleken

dat appellant rekening heeft gehouden met de adviezen in de rapporten van de arbeidsdeskundigen van 22 januari 2014 en 19 februari 2014. Het had op de weg van appellant gelegen om kort voor of ten tijde van de ontslagverlening op basis van nieuwere medische informatie dan het besluit van het Uwv van 23 januari 2014 te bezien wat de

re-integratiemogelijkheden voor betrokkene waren.

3. Partijen hebben op de hierna te bespreken gronden hoger beroep en incidenteel

hoger beroep ingesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van het ARAR kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.

4.1.2.

Op grond van artikel 98, derde lid, van het ARAR kan een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, slechts plaatsvinden indien:

a. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar,

b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en

c. het bevoegd gezag van oordeel is dat duurzame re-integratie in arbeid die aansluit bij

de benutbare mogelijkheden van de ambtenaar, niet binnen een redelijke termijn te verwachten is.

4.1.3.

Ingevolge artikel 98, zevende lid, van het ARAR betrekt het bevoegd gezag bij de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid de uitslag van de beoordeling door het Uwv van de claim in het kader van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen. Indien deze beoordeling niet of langer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden, vraagt het bevoegd gezag aan het Uwv een oordeel als bedoeld in artikel 32, derde lid, van de Wet Suwi en betrekt dit bij zijn beoordeling.

4.2.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het op de weg van appellant lag om kort voor of ten tijde van de ontslagverlening op basis van nieuwere medische informatie dan het besluit van het Uwv van 23 januari 2014 te bezien wat de re-integratiemogelijkheden voor betrokkene waren. Appellant stelt dat hij bij zijn oordeel of benutbare mogelijkheden niet binnen een redelijke termijn te verwachten zijn, mag uitgaan van de door de verzekeringsarts vastgestelde benutbare mogelijkheden, mits het ontslagbesluit binnen een jaar na de datum van de beschikking van het Uwv wordt genomen. Nu gesteld nog gebleken is dat de belastbaarheid van betrokkene voorafgaand aan het ontslag is gewijzigd, mocht appellant de stukken van het Uwv betrekken in zijn oordeel. De overweging van de rechtbank dat appellant zich had dienen te voorzien van nieuwere informatie, omdat tussen het besluit van het Uwv en het ontslagbesluit een periode van zeven maanden zit, vindt volgens appellant geen steun in de regelgeving. Voorts heeft appellant zich een eigen oordeel gevormd of aan de ontslagvoorwaarden is voldaan op basis van de op dat moment beschikbare gegevens, dus niet slechts op basis van het besluit van het Uwv.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2446) blijkt uit artikel 98, derde en zevende lid, van het ARAR, mede in aanmerking genomen de toelichting bij het besluit van 18 december 2009 (Stb. 2010, 9), dat het bevoegd gezag beslist over het al dan niet vervuld zijn van de voorwaarde van

artikel 98, derde lid, aanhef en onder c, van het ARAR en dat het bij die beslissing de claimbeoordeling van het Uwv betrekt. Met deze duidelijke wettekst is niet te verenigen dat aan de claimbeoordeling een doorslaggevende betekenis toekomt. Met name betekent de omstandigheid dat aan een betrokkene een WGA-uitkering wordt verstrekt niet automatisch dat aan bedoelde voorwaarde, te weten dat duurzame re-integratie in arbeid die aansluit bij

de benutbare mogelijkheden van de ambtenaar, niet binnen een redelijke termijn te verwachten is. Voorts volgt uit vaste rechtspraak (uitspraak van 3 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1936) dat de beoordeling van de mogelijkheid van duurzame

re-integratie moet worden bezien vanuit de situatie kort voor of ten tijde van de ontslagverlening en dat die moet zien op een redelijke termijn daarna.

4.4.

Uit het vorenstaande volgt dat aan het besluit van 23 januari 2014 van het Uwv waarbij aan betrokkene een WGA-uitkering is toegekend, niet automatisch de conclusie mag worden verbonden dat voldaan is aan het bepaalde in artikel 98, derde lid, aanhef en onder c, van het ARAR en duurzame re-integratie in arbeid die aansluit bij de benutbare mogelijkheden van

de ambtenaar, niet binnen een redelijke termijn vanaf de ontslagdatum te verwachten is.

4.5.

In het onderhavige geval kon appellant, anders dan hij heeft gesteld, op basis van de gegevens die hij ten tijde van het ontslag tot zijn beschikking had over de arbeidsmogelijkheden van betrokkene, niet zonder meer tot de conclusie komen dat was voldaan aan onderdeel c. Uit die gegevens blijkt juist dat duurzame re-integratie op termijn werd verwacht door de arbeidsdeskundige. In het arbeidsdeskundigrapport van

22 januari 2014 is te lezen dat betrokkene op dat moment werkzaam was in structureel passend werk van [functie 2] voor zestien uur per week en dat de verwachting was dat de belastbaarheid zou toenemen op termijn en de functie wellicht kon worden uitgebreid naar 28 uur per week. De informatie van de verzekeringsarts die in dat rapport is opgenomen duidt er eveneens op dat betrokkene duurzaam arbeid zou kunnen verrichten, rekening houdend met haar beperkingen. Vervolgens heeft betrokkene, voorafgaand aan het ontslag, haar werktijd nog uitgebreid tot 22 uur per week. Allerminst is dan ook uitgesloten dat betrokkene binnen een redelijke termijn duurzaam kon re-integreren in de passende arbeid van [functie 2],

ook voor de nog resterende uren van haar aanstelling.

4.6.

De Raad voegt daar nog aan toe dat aan een termijn van zeven maanden tussen het

rapport en het ontslagbesluit, zoals die door de rechtbank is genoemd, geen zelfstandige betekenis toekomt bij deze beoordeling. Immers is steeds afhankelijk van de omstandigheden van het geval welke betekenis aan het besluit van het Uwv en/of de daaraan ten grondslag liggende gegevens kan worden toegekend bij het oordeel van het bevoegd gezag over de mogelijkheden van duurzame re-integratie ten tijde van het ontslag.

5. Uit 4.1.1. tot en met 4.6. volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt.

6. Nu het hoger beroep van appellant niet slaagt, behoeft het incidenteel hoger beroep van betrokkene, zoals zij zelf heeft aangegeven, geen bespreking meer.

7. Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in

hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.002,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 497,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en H. Lagas en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroǧlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2018.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) F. Demiroǧlu

RH