Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:923

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
30-03-2018
Zaaknummer
17/2167 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in art. 8:119, Awb. Geen sprake van dwaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/196
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/2167 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 3 december 2015, 15/3450 AW

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van gedeputeerde staten van Groningen (college)

Datum uitspraak: 29 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. F. van de Nadort bij brief van 9 maart 2017 verzocht om herziening van de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van 3 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4397.

Namens het college heeft mr. D. Kuijken, advocaat, op 17 mei 2017 een reactie ingezonden, waarop mr. Van de Nadort bij brief van 16 juni 2017, waarbij nadere stukken waren gevoegd, heeft gereageerd.

Bij schrijven van 3 juli 2017 heeft mr. Van de Nadort opnieuw stukken ingezonden.

Mr. Kuijken heeft een nadere reactie ingezonden.

Op 5 februari 2018 heeft mr. Van de Nadort een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2018. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Nadort. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Kuijken en mr. P.A. Lie A Njoek.

OVERWEGINGEN

1. Verzoeker was als [functie] werkzaam bij de provincie [provincie]. Onderzoekster [A.], verbonden aan Buro [B.], heeft aan het college rapportages uitgebracht over plichtsverzuim dat door verzoeker gepleegd zou zijn, waaronder misbruik van de tankpas behorende bij een dienstauto. Het college heeft bij besluit van 15 oktober 2008 verzoeker primair wegens zeer ernstig plichtsverzuim, waaronder misbruik van de tankpas, de disciplinaire straf van ontslag opgelegd, subsidiair hem ontslagen wegens ongeschiktheid voor de functie uit anderen hoofde dan wegens ziekte. Bij besluit op bezwaar van 22 april 2009 is het bezwaar tegen het besluit van 15 oktober 2008 ongegrond verklaard. Lopende het beroep bij de rechtbank tegen het besluit van 22 april 2009 is een akkoord tot stand gekomen tussen verzoeker en het college over een eenmalige betaling van een geldsom. De toenmalige gemachtigde van verzoeker ([C.]) heeft op 11 oktober 2010 het beroep ingetrokken.

2. Bij brief van 6 november 2014 heeft mr. Van de Nadort de rechtbank verzocht de intrekking van het beroep ongedaan te maken. Bij uitspraak van 31 maart 2015 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Bij de uitspraak van 3 december 2015, waarvan verzoeker in deze procedure herziening heeft verzocht, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 31 maart 2015 bevestigd.

3. In die uitspraak heeft de Raad overwogen dat in wat verzoeker heeft aangevoerd geen aanknopingspunt te vinden is voor de juistheid van zijn stelling dat de provincie hem in de veronderstelling heeft gebracht dat de intrekking van het beroep tevens meebracht dat de ontslaggrond disciplinair ontslag van de baan zou zijn, waardoor verzoeker aanspraak zou hebben op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Integendeel, de gemachtigde [C.] van verzoeker heeft jegens [D.], de behandelend medewerker bij de provincie, bevestigd dat het voor haar klip en klaar was dat het geen aanspraak kunnen maken op een WW-uitkering door verzoeker een onderdeel vormde van de gemaakte afspraken. Tegenbewijs tegen de juistheid van deze verklaring, bijvoorbeeld door een andersluidende verklaring van [C.], is niet geleverd. De omstandigheden die volgens de gemachtigde van verzoeker een aanwijzing zouden vormen dat het de bedoeling van het college was om de ontslaggrond te wijzigen hebben de Raad niet tot een ander oordeel gebracht. Eventuele miscommunicatie tussen verzoeker en [C.] is niet aan te merken als een niet aan verzoeker toe te rekenen omstandigheid waardoor verzoeker in dwaling verkeerde.

4.1.

Verzoeker heeft zijn verzoek om herziening onderbouwd met een drietal argumenten. Hij heeft ten eerste gewezen op de brief van 10 september 2010 namens het college, waaruit zou blijken dat hem is voorgehouden dat hij aanspraak zou houden op een WW-uitkering. Verzoeker beschikte lange tijd niet over deze brief wegens langdurige dakloosheid. De brief is kort geleden boven water gekomen na het opruimen van een (tijdelijk) onderdak op een camping. Verzoeker heeft ten tweede gewezen op een uitspraak van de rechtbank

Noord-Nederland van 30 juni 2016 (ECLI:NL:RBNNE:2016:3077), waaruit blijkt dat [A.], de particuliere onderzoekster die onderzoek deed naar verzoeker, die onderzoekswerkzaamheden niet had mogen verrichten omdat zij executief politieambtenaar was en onrechtmatig gebruik maakte van politie- en justitielogo’[B.]. Ten derde heeft verzoeker gewezen op een brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 1 maart 2017, waarin aan de gemachtigde van verzoeker wordt bevestigd dat Buro [B.] niet beschikt over de vereiste vergunning. Het college heeft volgens verzoeker ten onrechte grote betekenis toegekend aan het onderzoek door Buro [B.] en hem ten onrechte in de veronderstelling gebracht dat Buro [B.] conform de regelgeving handelde.

4.2.

Het college heeft bestreden dat de door verzoeker aangevoerde argumenten nieuwe feiten of omstandigheden vormen die grond zouden vormen voor herziening van de uitspraak van de Raad van 3 december 2015.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

5.2.

In de brief van 10 september 2010, waarop verzoeker zich heeft beroepen, wordt namens het college gereageerd op een schikkingsvoorstel van [C.]. Alleen al omdat het hier een brief betreft die aan zijn toenmalige gemachtigde gericht was, moet ervan uitgegaan worden dat deze brief redelijkerwijs bekend kon zijn bij verzoeker; dit brengt mee dat deze brief geen feit of omstandigheid vormt die op grond van artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb tot herziening kan leiden. De gemachtigde van het college heeft er voorts terecht op gewezen dat temeer moet worden uitgegaan van bekendheid met deze brief nu deze brief zich al ten tijde van de eerdere procedure bij de Raad in het procesdossier bevond en deze destijds ter zitting van de Raad is besproken. De Raad merkt daarbij ten overvloede nog op dat uit de brief geenszins volgt dat verzoeker, indien een schikking zou worden bereikt, aanspraak zou hebben op een WW-uitkering.

5.3.

De uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 juni 2016 en de brief van 1 maart 2017, waaruit blijkt dat [A.] de onderzoekswerkzaamheden niet had mogen verrichten en buro [B.] zonder vergunning handelde, bevatten in zoverre nieuwe feiten en omstandigheden die bij verzoeker vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn. De Raad is echter van oordeel dat het hier geen feiten of omstandigheden betreft die, waren zij eerder bij de Raad bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. Het ging in deze procedure immers niet om juridische houdbaarheid van een strafontslag dat gebaseerd was op een rapport van een onderzoekster en een bureau dat illegaal werkte. De procedure was toegespitst op de vraag of verzoeker door het college in de veronderstelling is gebracht dat hij bij de schikking waarover werd onderhandeld een WW-uitkering zou krijgen, dan wel of hij mocht verwachten dat de ontslaggrond zou veranderen. De Raad acht niet aannemelijk dat de al dan niet legale status van het onderzoeksbureau of de onderzoekster een rol van betekenis speelde bij de totstandkoming van de schikking. Veeleer was van belang of gezegd kon worden dat verzoeker in een situatie van dwaling verkeerde, doordat het onderzoeksrapport op essentiële punten onjuistheden bevatte, waardoor verzoeker, nadat hij het rapport ter lezing had ontvangen en er met zijn toenmalige gemachtigde [C.] over had overlegd, ten onrechte tot het doen van een schikkingsvoorstel is bewogen. Van een dergelijke situatie van dwaling was naar het oordeel van de Raad geen sprake. Het moet ervoor worden gehouden dat het rapport - ongeacht de status van onderzoekster en onderzoeksbureau - een zodanige indruk op verzoeker maakte, dat hij daardoor is bewogen tot het sluiten van het akkoord met het college.

5.4.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A. Kooijman en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2018.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) S.A. de Graaff

sg