Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:917

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
16-3285 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken bijstand. Verklaring dat er € 10.000,- op bankrekening is ontvangen. Recht niet vast te stellen omdat bankrekeningen niet zijn overgelegd. Andere stortingen. Maximaal op te leggen boete van € 5466,67.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3285 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

21 april 2016, 15/2172 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Heemstede (college)

Datum uitspraak: 20 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.J.P. Leenders, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2018. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Leenders. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. M.R. Staller en mr. F.J. IJsselmuiden.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 5 april 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Het voor appellanten vrij te laten vermogen is bij aanvang van de bijstand vastgesteld op € 9.450,-.

1.2.

Op 10 juni 2013 hebben appellanten een aanvraag om bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) ingediend om hun bedrijf [bedrijf] (bedrijf) op te starten. Deze aanvraag heeft het college bij besluit van 19 juli 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 februari 2015, afgewezen. Appellanten hadden in de thans van belang zijnde periode wel toestemming om als “marginaal zelfstandige” activiteiten te verrichten.

1.3.

Uit in het kader van een heronderzoek naar het recht op bijstand overgelegde bankafschriften blijkt dat appellant op 30 mei 2014 een bedrag van € 20.000,- heeft ontvangen van [naam] ( [X] ). Appellanten hebben op 27 juni 2014 met een consulent intergemeentelijke Afdeling Sociale Zaken (consulent) een gesprek gevoerd in het kader van het heronderzoek.

1.4.

Bij brief van 23 juli 2014 heeft de consulent appellanten gewezen op de in 1.3 bedoelde storting van € 20.000,- en vermeld dat appellanten tijdens het gesprek op 27 juni 2014 hebben aangegeven eerder een bedrag van € 10.000,- te hebben ontvangen en binnenkort nog een bedrag van € 5.000,- verwachten. In deze brief heeft de consulent appellanten onder meer gevraagd om vóór 7 augustus 2014 rekeningafschriften van de stortingen van € 10.000,- en

€ 5.000,-, alsmede de overeenkomst van lening, met indien van toepassing een terugbetalingsverplichting in te leveren, en gegevens te overleggen waaruit blijkt wat de reden van de geldverstrekking is.

1.5.

Bij besluit van 8 augustus 2014 heeft het college de bijstand met ingang van 7 augustus 2014 opgeschort, waarbij appellanten in de gelegenheid zijn gesteld om uiterlijk 22 augustus 2014 onder meer de in de brief van 23 juli 2014 gevraagde gegevens alsnog in te leveren. Bij brief van 2 september 2014 heeft het college appellanten verzocht de gevraagde gegevens vóór 15 september 2014 in te leveren.

1.6.

Bij besluit van 1 oktober 2014 heeft het college de bijstand op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB ingetrokken met ingang van 7 augustus 2014, omdat appellanten de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de hersteltermijn hebben verstrekt.

1.7.

In het in 1.6 genoemde besluit van 1 oktober 2014 heeft het college tevens vermeld dat de vermogenssituatie ook aan het recht op uitkering vóór 7 augustus 2014 in de weg staat. Het college heeft appellanten nog twee weken de tijd gegeven om onder meer bewijzen van de

€ 10.000,- van [X] en van hun schulden (schuldbekentenis, afbetalingsverplichting, bewijs van betaalde aflossingen en saldo van de schulden per 30 mei 2014) te overleggen.

1.8.

Voorts heeft het college in het in 1.6 genoemde besluit van 1 oktober 2014 vermeld dat na controle is gebleken dat appellante een aantal rekeningen op haar naam heeft staan die nog niet bij het college bekend zijn. Het college heeft appellanten verzocht afschriften van deze rekeningen over de periode van 5 april 2013 tot 7 augustus 2014 over te leggen.

1.9.

Bij besluit van 17 oktober 2014 heeft het college de bijstand op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB ingetrokken over de periode van 5 april 2013 tot en met 6 augustus 2014 en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 23.004,21 van appellanten teruggevorderd.

1.10.

Bij besluit van 3 november 2014 heeft het college appellanten een boete opgelegd van

€ 21.217,53, zijnde het nettobedrag van de terugvordering.

1.11.

Bij besluit van 17 maart 2015, verzonden op 23 april 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 1 oktober 2014 en 17 oktober 2014 ongegrond verklaard.

1.12.

Bij het bestreden besluit heeft het college voorts het bezwaar tegen het besluit van

3 november 2014 gegrond verklaard en de hoogte van de boete vastgesteld op € 10.608,77. Het college heeft hierbij overwogen dat bij de schending van de inlichtingenverplichting sprake is van schuld en dit een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag rechtvaardigt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het besluit van 1 oktober 2014: de intrekking van de bijstand vanaf 7 augustus 2014

4.1.

In hoger beroep hebben appellanten zich allereerst tegen het bestreden besluit gekeerd, voor zover daarin het bezwaar tegen het besluit van 1 oktober 2014 ongegrond is verklaard. Hierover wordt als volgt overwogen.

4.2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat appellanten ter zitting hebben verklaard dat het beroep zich nog richt tegen de besluiten om de bijstandsuitkering over de periode van 5 april 2013 tot en met 6 augustus 2014 in te trekken en een bedrag ter hoogte van € 23.139,91 (lees: € 23.004,21) van appellanten terug te vorderen en het besluit om appellanten een boete ter hoogte van € 10.608,77 op te leggen. Appellanten hebben zich in hoger beroep niet tegen deze uitdrukkelijke overweging van de rechtbank gekeerd, zodat vaststaat dat het beroep bij de rechtbank niet (meer) was gericht tegen het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op het besluit van 1 oktober 2014.

4.3.

Gelet op de artikelen 6:13 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat daarom met betrekking tot het besluit van 1 oktober 2014 bij de Raad geen hoger beroep

meer open. Het hoger beroep zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

De intrekking over de periode van 5 april 2013 tot en met 6 augustus 2014

4.4.

Aan de besluitvorming met betrekking tot de intrekking heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden omdat zij geen bewijsstukken hebben ingeleverd van de ontvangst van een bedrag van € 10.000,- en omdat zij de in 1.8 bedoelde rekeningafschriften niet hebben overgelegd. Hierdoor is volgens het college over de periode van 5 april 2013 tot en met 29 mei 2014 het recht op bijstand niet vast te stellen. Over de periode van 30 mei 2014 tot en met 6 augustus 2014 ligt volgens het college het vermogen van appellanten hoger dan de voor hen geldende vermogensgrens, zodat zij geen recht hebben op bijstand.

4.5.

Appellanten hebben aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden. Volgens appellant heeft hij nooit verklaard een bedrag van € 10.000,- te hebben ontvangen en hebben appellanten in de periode van 5 april 2013 tot en met 29 mei 2014 geen betalingen ontvangen, zodat ook geen bewijs van die ontvangst kan worden verstrekt. Voorts hebben appellanten bewijsstukken aangeleverd met betrekking tot hun lopende rekeningen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.6.

Ingevolge artikel 17 van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn recht op bijstand.

4.7.

Appellanten hebben op 27 juni 2014 op het heronderzoeksformulier vermeld dat zij een lening hebben bij “derden” van € 10.000,- met een terugbetalingsverplichting. Het vakje op het formulier waarop de ingangsdatum van de schuld kan worden vermeld, hebben zij niet ingevuld. Appellant heeft op 24 juni 2014 ook in een gesprek met de consulent verklaard eerder € 10.000,- te hebben geleend. Ter zitting heeft appellant verklaard dat hij dit bedrag heeft geleend voor de aanschaf van een limousine in 2012. Voorts staat vast dat appellanten de in 1.8 genoemde bankrekeningen die op naam van appellante stonden niet uit eigen beweging aan het college hebben gemeld en dat appellanten ook niet hebben voldaan aan het in 1.8 bedoelde verzoek van 1 oktober 2014 om alle bankafschriften van die rekeningen over te leggen. De in 1.7 en 1.8 genoemde gegevens zijn onmiskenbaar van belang voor het recht op bijstand. Door deze gegevens niet te verstrekken, hebben appellanten hun inlichtingenverplichting geschonden. Dat zij activiteiten als “marginaal zelfstandige” mochten verrichten doet hier niet aan af. Ook dan geldt de inlichtingenverplichting.

4.8.

Indien de betrokkene niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering, intrekking of beëindiging van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate de betrokkene recht op bijstand heeft.

4.8.1.

Appellanten hebben aangevoerd dat hun recht op bijstand over de periode van 5 april 2013 tot en met 29 mei 2014 wel kan worden vastgesteld, nu zij geen betalingen hebben ontvangen en zij van al hun lopende rekeningen afschriften hebben verstrekt. De in 1.8 bedoelde rekeningen zijn volgens appellanten slapende rekeningen. Uit wel overgelegde afschriften blijkt volgens hen dat het saldo negatief is. Volgens appellanten zijn de rekeningen inmiddels deels opgeheven.

4.8.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals overwogen in 4.7 meldden appellanten zelf dat zij € 10.000,- hebben ontvangen. Verder hebben zij de in 1.8 genoemde bankafschriften van een aantal rekeningen die op naam van appellante stonden, niet overgelegd. Nu die gegevens niet zijn verstrekt en wel aannemelijk is dat appellanten gelden hebben ontvangen, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De omstandigheid dat een laag saldo zichtbaar is op een aantal wel overgelegde afschriften van die rekeningen is voor vaststelling van het recht op bijstand onvoldoende, nu daarmee niet alle mutaties die op die rekeningen hebben plaatsgevonden zichtbaar zijn. Ook uit de omstandigheid dat enkele rekeningen inmiddels zijn opgeheven, volgt niet dat het recht op bijstand over de periode van 5 april 2013 tot en met

29 mei 2014 kan worden vastgesteld. Overigens ontbreekt elk bewijs dat het om slapende rekeningen gaat.

4.9.

Indien, ondanks de schending van de inlichtingenverplichting, het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld, ook al is dit nihil, dient het bijstandverlenend orgaan daartoe volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 20 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB6243) over te gaan. In dat geval is geen plaats voor intrekking van de bijstand op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.10.

Appellanten hebben aangevoerd dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat hun vermogen over de periode van 30 mei 2014 tot 7 augustus 2014 meer is dan het voor hen vrij te laten vermogen en dat zij daarom geen recht hebben op bijstand. Het college heeft volgens appellanten onvoldoende rekening gehouden met hun schulden. De betalingen die vanaf

30 mei 2014 door S op hun rekeningen zijn gestort, betreffen volgens hen leningen die bedoeld waren om het bedrijf van de grond te krijgen en die aan [X] moeten worden terugbetaald. Ter onderbouwing van die schuld hebben appellanten bij de behandeling van de bezwaren leningsovereenkomsten overgelegd. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

4.11.

Vaststaat dat [X] op 30 mei 2014 een bedrag van € 20.000,- op een rekening van appellanten heeft overgemaakt en dat dit bedrag hoger is dan het vrij te laten vermogen van appellanten van € 9.450,-. Voorts staat vast dat [X] vervolgens op 4 juni 2014 een bedrag van

€ 5.000,-, op 21 juli 2014 een bedrag van 17.500,- en op 4 augustus 2014 een bedrag van

€ 500,- naar rekeningen van appellanten heeft overgemaakt. Gelet hierop heeft het college mogen aannemen dat het vermogen van appellanten in de periode van 30 mei 2014 tot en met 6 augustus 2014 hoger was dan het voor hen vrij te laten vermogen, zodat zij geen recht hadden op bijstand.

4.12.

Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat uit de overgelegde documenten niet kan worden afgeleid dat sprake is van schulden aan [X] die bij de bepaling van het vermogen moeten worden betrokken. Het college wijst erop dat de leningsovereenkomsten pas in de bezwaarfase zijn overgelegd en niet vermelden voor welk doel de leningen zouden zijn verstrekt. Het college wijst er ook op dat appellanten betreffende een door appellant van [X] geleend bedrag van € 61.700,- aanvankelijk een op 3 augustus 2014 gedateerde, maar niet ondertekende overeenkomst hebben overgelegd en vervolgens, ter vervanging daarvan, een wel ondertekende, maar niet gedateerde overeenkomst. Daargelaten of schulden in mindering gebracht zouden moeten worden bij de vaststelling van het vrij te laten vermogen, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat hier sprake is van leningen. De onduidelijkheid of sprake is van leningen klemt te meer nu appellanten aanvankelijk hebben geweigerd hun stelling dat het bij de door [X] gestorte bedragen om een lening gaat nader te onderbouwen omdat [X] anoniem zou willen blijven. Door deze opstelling hebben zij toen bovendien het college de mogelijkheid ontnomen zelf nader onderzoek te doen.

De terugvordering

4.13.

Tegen de terugvordering hebben appellanten geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat deze geen verdere bespreking behoeft.

De boete

4.14.

Op grond van artikel 18a van de WWB, thans Participatiewet (PW), legt het college een bestuurlijke boete op indien de belanghebbende de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Van toepassing zijn artikel 18a van de PW en het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit), zoals deze met ingang van 1 januari 2017 luiden. Voor een weergave van

de relevante uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete verwijst de Raad naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van

11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12.

4.15.

Uit 4.7 volgt dat het college heeft aangetoond dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Appellanten mogen gehouden worden aan hun verklaringen. Zij waren gehouden bankafschriften over te leggen en nu zij dat niet gedaan hebben, schenden zij hun inlichtingenverplichting. Dit valt appellanten ook te verwijten. De beroepsgrond dat sprake is van afwezigheid van alle schuld slaagt dan ook niet. Appellanten hebben die beroepsgrond niet onderbouwd. Nu sprake is van verwijtbaarheid, was het college gehouden appellanten een boete op te leggen.

4.16.

Het college heeft zich, bij afwezigheid van omstandigheden die een afwijking daarvan naar boven rechtvaardigen, in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van opzet en grove schuld, zodat in dit geval 50% van het benadelingsbedrag (normale verwijtbaarheid) van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt is bij de bepaling van de hoogte van de boete.

Conclusie

4.17.

Met inachtneming van artikel 5:46, vierde lid, van de (Awb) moet bij een voor de betrokkene relevante wijziging in het recht nadat de overtreding is begaan de voor betrokkene meest gunstige bepaling worden toegepast. Daar waar artikel 18a van de PW en artikel 2, zevende lid, van het Boetebesluit per 1 januari 2017 voorzien in een lichtere bestraffende sanctie zal hieraan toepassing moeten worden gegeven. Dat betekent dat in het geval van betrokkene een boete van € 5.466,67 evenredig is.

4.18.

Het hoger beroep, voor zover dat ziet op het besluit van 1 oktober 2014, wordt

niet-ontvankelijk verklaard. Uit 4.2 tot en met 4.13 volgt dat het hoger beroep niet slaagt

voor zover dat ziet op de intrekking en de terugvordering. Het hoger beroep slaagt voor zover dat ziet op de boete. De aangevallen uitspraak zal in zoverre worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, voor zover dat ziet op de hoogte van de boete, de hoogte van de boete vaststellen op € 5.466,67 en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellanten in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en op € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.004,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- verklaart het hoger beroep voor zover dat ziet op het besluit van 1 oktober 2014

niet-ontvankelijk;

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het de hoogte van de boete betreft;

- vernietigt het besluit van 17 maart 2015 voor zover het de hoogte van de boete betreft, stelt
het bedrag van de boete vast op € 5.466,67 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de
plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 17 maart 2015;

- veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 2.004,-;

- bepaalt dat het college het door appellanten betaalde griffierecht van € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en J.L. Boxum en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2018.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) A. Mansourova

RH